Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gedeputeerde Staten geschieden." Is het gevaar algemeen, dan zal het Gouvernement tusschen heide komen. Het Gouvernement zal zeggen: het is hier niet het belang van eene provincie, maar een algemeen belang, en het moet dan handelen volgens zijn stelsel. Het kan van belang zijn, dat Gedeputeerde Staten kunnen beschikken over bijzondere sommen, zoo de toestand van den veestapel der provincie mocht eischen, dat men tot een maatregel zijne toevlucht neme, dien het Gouvernement niet neemt. Maar wanneer een en hetzelfde stelsel in alle provinciën zal gelden, dan voorzie ik, dat de Provinciale Staten, waar nu de belasting wordt geheven, die belasting zullen intrekken, verzekerd dat de kosten van onteigening door de schatkist zullen worden gedragen.

Ik verzoek den geachten spreker uit Zwolle (den heer van Roijen) mij te veroorloven, dat ik slechts met een enkel woord gewag maak van de bezwaren door hem geopperd tegen de administratieve enquête die, volgens dit ontwerp van wet, zou moeten voorafgaan aan de indiening van de wet tot verklaring van het algemeen nut en van hetgeen ten gevolge van die verklaring zal moeten worden onteigend. De geachte spreker heeft gemeend, dat voor die enquête te veel tijd wordt vereischt. Ik meen, dat juist in deze administratieve bemoeiing een der voornaamste waarborgen van de procedure van onteigening — niet de gerechtelijke, maar de geheele procedure — gelegen is, want door deze voorloopige enquête wordt aan ieder belanghebbende de gelegenheid gegeven om zijne bezwaren in te dienen, eerst bij de administratieve, vervolgens bij de wetgevende macht. Daarin is eene zekerheid gelegen voor de particulieren, die het onnoodig maakt de gerechtelijke procedure op dien voet te regelen, waarop de gewone procedure in civiele zaken geregeld is. Geen hooger beroep is meer noodig. Ten gevolge van dit administratieve onderzoek za* ieder belanghebbende tijdig gewaarschuwd, en men zal nu kort kunnen zijn. Dat die kortheid in onzen bedrijvigen tijd noodzakelijk is, hiervan is, geloof ik, ieder overtuigd. Ik zal één feit bijbrengen. Onder de heerschappij van de wet van 1841 is het nog nooit of hoogst zeldzaam, wanneer de eigenaren verlangden voort te procedeeren, tot eene gedwongene onteigening gekomen, maar heeft de onteigenaar, ten laatste vermoeid, gedaan wat de andere partij begeerde. Zoo de geachte spreker uit Zwolle zegt, dat met die enquête drie jaren zullen verloopen vóór de wet tot onteigening wordt ingediend, dan hoop en vertrouw ik, dat hij zich daarin zal bedriegen ten aanzien van een zeer groot gedeelte, ja van de meerderheid der werken. Ik hoop daarvan, wanneer dit wetsontwerp wordt aangenomen, in de aanstaande zitting der Staten-Generaal het bewijs te zullen kunnen leveren. Er zijn vele onteigeningen aanhangig, aangevraagd sedert jaren, en die slechts wachten op deze wet, en ik hoop, dat geen van die ter voorbereiding drie jaren zal vereischen; ik hoop, dat geen enkele één jaar zal kosten eer men het ontwerp van wet om de ont-

Sluiten