Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschikt door den wetgever en de rechterlijke macht. Hij beweert dit op grond dat niet de geest van art. 147 alleen, maar de geest van de geheele Grondwet medebrengt, dat de administratieve macht niet over den eigendom kan beschikken, daar die geest de meest mogelijke bescherming van den eigendom wil. De geheele Grondwet? Ik vraag waar zijn in de Grondwet, buiten art. 147, waarborgen voor den eigendom te vinden? In al de andere bepalingen van de Grondwet wordt niet gewaagd van eigendom; maar de geest der geheele Grondwet brengt mede, handhaving, bevordering van het publiek, van het algemeen belang. De strijd echter, die hier wordt gevoerd, is een strijd van het bijzonder tegen het algemeen belang. De administratieve macht kan volgens dit ontwerp niet van den eigendom ontzetten. Het tegendeel te beweren is eene onjuiste uitdrukking van den vorigen spreker. De administratieve macht zal alleen kunnen aanwijzen de eigendommen, die onteigend zullen moeten worden. De geachte spreker heeft tegen dit aan het administratief gezag toegekende recht overgesteld — ik moet zeggen, niet met helderheid — de werkzaamheden van de wetgevende macht, die met de aanwijzing van de perceel en zou zijn belast. Ik vraag of die taak kan worden opgelegd aan eene wetgevende macht die beraadslaagt zooals de onze doet en moet doen? Ik vraag dit niet met het oog op eene wetgevende macht, als het Engelsche parlement, dat in zoo vele gevallen als een administratief college handelt, maar met het oog op eene wetgevende macht, die alleen regels stelt. Ik vraag of zulk eene wetgevende macht — hetzij hier of in andere landen, waar gelijke staatsregeling als bij ons bestaat — over een ontwerp van wet tot onteigening voor een bepaald doel raadplegende, kan geroepen zijn om bij die wet de bijzondere perceelen aan te wijzen, die onteigend moeten worden om het werk tot stand te brengen? Zoo die wetgevende macht geene bevoegdheid heeft om verandering te brengen in de voorgestelde aanwijzing, dan zal — ik laat nu daar, dat de wetgever, gelijk ik reeds opmerkte, toch altijd de inlichtingen van de zijde van het Gouvernement moet ontvangen — de controle weinig afdoen. Maar wil men, dat de wetgevende macht de perceelen aanwijze, en de Tweede Kamer, daarbij van haar recht van amendeeren gebruik makende, het eene perceel in de plaats van het andere zal kunnen stellen, dan vraag ik, of dit eene werkzaamheid is die met billijkheid, met juistheid aan een tak van de wetgevende macht kan worden opgelegd? Het is inderdaad niet denkbaar, dat in de aanwijzing van perceelen, na dat lange onderzoek tot stand gebracht, door de wetgevende macht ten gevolge van hare deliberatien eenige verandering zou kunnen worden gemaakt, tenzij de Kamer zich als administratief bureau constitueere. Hetgeen de geachte spreker als waarborg beschouwt, zou bij de uitvoering blijken, van zeer weinig, ik geloof van geene beteekenis te zijn.

Ten aanzien van de procesorde is de geachte spreker teruggekomen

34*

Sluiten