Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verpleging nog noodig is voor hem die voor zich zeiven niet zorgen kan, voor een kind, eenen invalide, eenen krankzinnige.

4, Niet elke verzaking van de bestaande verplichting, niet elk onthouden van onderhoud, verpleging of verzorging levert het misdrijf op; dit bestaat eerst wanneer iemand een ander in lmlpeloozcn toestand brengt of laat.

In de toelichting op den titel wordt het brengen in hulpeloozen toestand omschreven als het in gevaar brengen van eenen hulpbehoevende. Dit gevaar is een gevaar voor het leven, in verband staande met het feit dat de persoon die er door bedreigd wordt zich zelf niet redden kan, van nature of door de omstandigheden werkelijk hulp m den vorm van onderhoud, verpleging of verzorging behoeft en zich zelf die niet kan verschaffen. Waar dit een en ander niet aanwezig is, kan iemand slechts gezegd worden in verlegenheid gebracht te zijn.

I)e overweging dat er wel deze of gene gevonden zal worden, die zich het lot van den ongelukkige aantrekt, is hier overigens niet afdoende. Zoo werd terecht strafbaar geoordeeld een vader die zijne kinderen achterliet, al had hij het armbestuur zijn vertrek aangekondigd en de zorg voor zijne kinderen aanbevolen i).

Anders oordeelde hierover de Rechtbank te Middelburg die de aanwezigheid van het gevaar niet aannam in een geval waarin hulp van derden geenszins tot de onmogelijkheden, maar zelfs tot de^ waarschijnlijkheden behoorde 2). Deze opvatting schijnt te eng. Waro zij juist, do toepasselijkheid van art. 255 zou beperkt zijn tot het zeldzame geval dat de hulpl>ehoevende in zoodanigen toestand gebracht of gelaten wordt dat bijstand van derden zoo niet onmogelijk dan toch hoogst onwaarschijnlijk zou zijn. Een dergelijk geval laat zich in eene geordende maatschappij nauwelijks denken tenzij indien iemand, die zich niet bewegen kan, op eene eenzame plaats wordt achtergelaten. Het gevaar bestaat hierin dat, terwijl hulp noodig is, niemand verplicht is of van degenen die verplicht zouden zijn niemand in staat is ze te verschaffen, en daarom op liet verleenen niet gerekend kan worden.

De vader, die zijne kinderen achterlaat bij hunne moeder, welke voor het onderhoud zorgen kan, brengt hen niet in hulpeloozen toestand3).

1) Zie Pols C.S. a<l art. aanteekening 3.

2) Vonnis van 13 September 1887, Wbl. (>731 (jaargang 1895); zie ook Rechtbank Almelo 24 April 1900, bevestigd in hooger beroep, Tijdschrift voor strafrecht XIV, Rechtspraak, l>la<lz. 22. ^

3) Gerechtshof Leeuwarden 15 April 1887, P. v. J. lbS«, no. 10, \gl. y schrift voor strafrecht 1, bladz. 503.

1*

Sluiten