Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„kinderen waarvoor de leeftijd van zeven jaren als grens kan worden „aangenomen, regtvaardigt het verschil in straf", niet dus de verschillende aard der misdrijven.

Ook hier is~ al zoo de hulpelooze toestand eene voorwaarde van de strafbaarheid.

Intussclien is het misdrijf beperkt tot het te vondeling leggen en het verlaten met het oogmerk om zich van het kind te ontdoen; andere wijzen van in hulpeloozen toestand brengen of laten, bijv. het tijdelijk verlaten zonder zorg voor hulp of toezicht hoewel het kind die in eoncreto noodig heeft, zullen onder art. 255 vallen ook al is liet kind minder dan zeven jaar oud.

Een tweede punt van verschil tusschen beide misdrijven is dat bij art. 255 gesproken wordt van iemand die krachtens wet of overeenkomst tot onderhoud, verpleging of verzorging verplicht is, terwijl daarvan in art. 256 niet uitdrukkelijk wordt gerept.

Te vondeling leggen is trouwens eene handeling die ieder kan verrichten , onverschillig of er eenige betrekking tusschen den dader en het kind bestaat; het kan gepleegd worden met en tegen den wil van den verzorger van het kind, zoowel om dezen te benadeelen als om hem te gerieven.

Anders is het met de daad van hem die een kind verlaat om zich er 'van te ontdoen. Men kan zich niet ontdoen van een kind waartoe men niet in eenige betrekking staat. Hij die een kind vindt en het laat liggen kan niet gezegd worden het niet bedoeld oogmerk te verlaten, evenmin als degene die zich belast heeft voor een oogenblik op een kind te passen en zich er van verwijdert.

De band die tusschen den dader en het kind bestaan moet behoeft echter juist niet gelegd te zijn door eene wettelijke of contractueele verplichting, hij kan ook een zedelijke band zijn. Iemand die zich bijv. een verlaten kind onverplicht heeft aangetrokken is niet meer gerechtigd zich er van te ontdoen door het eenvoudig weder aan zich zelf over te laten. Wel is waar wordt in de Memorie van toelichting aan het hoofd van den titel gezegd dat, voor zoover er slechts een zedelijke plicht bestaat, de handeling buiten liet terrein van het strafrecht valt, maar kon dit voor den geheelen titel gelden dan behoefde art. 255 niet van de door wet of overeenkomst opgelegde verplichting te spreken. De woorden van art. 256 sluiten dan ook elke beperking uit, die verder zou gaan dan tot den eisch van het oogmerk om zich van het kind te ontdoen.

2. Is het ontstaan van eenen hulpeloozen toestand vereischt dan kan ook niet elk neerleggen van een kind of zich er van verwijderen misdrijf opleveren; daarvoor is noodig dat het kind voor goed aan

Sluiten