Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder eer het eergevoel, onder goeden naam de eer die men geniet verstaan zal moeten worden 1).

Alleen die beleedigingen die iemand ten overstaan van anderen worden aangedaan kunnen zijnen goeden naam nevens zijn eergevoel aanranden; valt de handeling tnsschen i.eleediger en beleedigde voor dan is er slechts sprake van aanranding van het eergevoel.

De aanranding van het eene of het andere is het kenmerk van elke beleediging; en wordt in art. 266 gesproken van elke beleediging die niet het karakter draagt van smaad ot smaadschrift, het onderscheid is in de eerste plaats tc zoeken in den inhoud der beleediging (in art. 261 telastlegging van een bepaald feit, in art. 266 beleediging op elke andere wijze), in de tweede plaats in het in art. 266 niet vereischte doel om ruchtbaarheid te geven, maar geenszins in liet object der krenking zelf.

Smaad is eene species van het genus beleediging, die bij gemis van een der bijzondere kenmerken eenvoudige beleediging wordt.

De keuze van de woorden „eer of goede naam" is in zooverre onjuist als zij aanleiding zou kunnen geven tot de opvatting dat hem die geen eergevoel heeft of in oenen slechten naam staat geene beleediging kan worden aangedaan. Eergevoel heeft trouwens ieder wel in zekere mate; overigens is telastlegging van onware dingen voor ieder, wien dan ook, eene aantasting van dat gevoel; maar ook daarbuiten verbiedt de strafwet de telastlegging zelfs van ware feiten of van werkelijk bestaande ondeugden. Dit blijkt uit de tegenstelling van smaad en beleediging met laster; bij dezen onwaarheid van de telastlegging, bij gene geen onderscheid tusschen waarheid en onwaarheid dan voor de rechtvaardiging door het motief.

Anders in het Dnitsche strafwetboek, § 186: „wenn nicht diese Thatsache erweisliuli wahr ist". Deze paragraaf drukt beter de bedoeling uit van hetgeen bij ons aanranden van den goeden naam heet in de woorden: „in der öffentlichen Meinung herabwürdigen"; zóo slecht is niemand of hij kan nog slechter gemaakt worden in do algemeene opvatting, ook al kan van goeden naam eigenlijk reeds niet meer gesproken worden.

4. De gebezigde uitdrukking, de gepleegde feitelijkheid, moet het karakter hebben dat de wet beleedigend acht. Meestal zal dit uit de gangbare beteekenis van het woord of de daad rechtstreeks volgen 2);

1) Vgl. D. Simons, Do vrijheid van drukpers, academisch proefschrift, Leiden 1883, bladz. 174 en volg.

2) Ook die welke een woord in de plaatselijke volkstaal heeft; Hooge Kaad 27 Juni 1898, Wbl. 7148, P. v. J. 1898 no. 58.

Sluiten