Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 261.

Hij die opzettelijk iemands eer of goeden naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met liet kenlijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk ten toon gesteld of aangeslagen, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar ol geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zoover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of' tot noodzakelijke verdediging.

1. Het middel waardoor men met aanranding van iemands eer of goeden naam (/.ie aanteekening 3 op den titel) smaad pleegt is de telastlegging van een bepaald feit met liet doel om daaraan ruchtbaarheid te geven.

Bij het vorderen van een bepaald feit sluit onze wet zich aan bij den Code pénal, art. 367, waar van fait précis wordt gesproken; de jurisprudentie, die zich onder den Code heeft gevormd, heeft in dit opzicht dus thans nog hare beteekenis gehouden.

Zóo zal men een bepaald feit met den Hoogen Baad 1) nog kunnen noemen eene daad zoodanig gepreciseerd of bepaald aangeduid dat niet alleen de soort van de daad vaststaat maar ook blijkt welke bepaalde daad van die soort wordt bedoeld.

Bet bepaalde feit moet zijn te last gelegd. Ook hieromtrent kan de oude jurisprudentie alsnog toepassing vinden omdat toch ook de Code pénal in art. 367 van imputer spreekt. Telastlegging is aanwezig wanneer uit de woorden rechtmatig de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat bedoeld is ïnededeeling van het feit als door do aangewezene persoon gepleegd. Vragende of indirecte vorm sluit dus de

1) Arrest van 9 Juni 1879, van den Bonert, Strafrecht 1879, 2949, 43, Rechtspraak ('XXII, 22, 179, en verdere uitspraken vermeld bij Sehooneveld, aanteekeniu» 30 op art. 367.

Sluiten