Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begrip van oogmerk onjuist bepaalde; ook was zij daarom eigenlijk niet beperkt tot art. 261, maar zij sloeg op beleediging in het algemeen. Tusschen eenvoudige beleediging en smaad toch bestaat geen onderscheid ten aanzien van liet opzet; bij beide wil de dader beleedigen of, zooals het bij de nieuwe redactie heet, de eer of den goeden naam aanranden; het onderscheid bestaat enkel in de wijze waarop en de mate waarin dit geschiedt.

Opzettelijk aanranden is dus opzettelijk eenen aanslag doen op iemands eer of goeden naam, onverschillig of de eer werkelijk getroffen wordt, de goede naam inderdaad schade lijdt; dit gevolg, als liggende buiten het bereik van den dader en niet afhankelijk enkel van zijnen wil, is op zijne strafbaarheid niet van invloed.

Of het vereischte opzet aanwezig is moet blijken uit omstandigheden, die trouwens veelal reeds gelegen zijn in de enkele uiting indien deze om haren inhoud en haren vorm reeds beleedigend is. Wie een ander een scheldwoord naar het hoofd werpt kan alleen dan niet als beleediger beschouwd worden wanneer hij öf de beteekenis van het woord niet begrijpt öf slechts in scherts spreekt l).

6. Intusschen erkende de Minister van justitie de mogelijkheid dat het opzettelijk aanranden van eer of goeden naam kan worden weggenomen door de goede bedoeling die er achter ligt. „Of zoo de wet zweeg", zegt hij in het Regeeringsantwoord 2), „hij die uitsluitend „handelt in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging „gezegd zou kunnen worden opzettelijk eer en goeden naam te hebben „aangerand, daarover zou zich laten twisten. De Minister zou de vraag „ontkennend beantwoorden, maar de voorzigtigheid, ook met het oog

1) Daarom is de meening van Van Ittersuin, Tijdschrift voor strafrecht II, bladz. 330, dat enkel noodig is dat de beklaagde de woorden uitgesproken heeft en dat hij dit opzettelijk heeft gedaan, onjuist tenzij het vierde vereischte door dien schrijver gesteld, dat de woorden beleedigend moeten zijn, zóo inoet worden opgevat dat een woord in scherts gesproken of in eene taal die de spreker zelf niet verstaat niet beleedigend is; maar dan wordt het aan de eene zijde uitgeworpene opzet tot beleedigen aan de andere zijde weder binnen gebracht.

Aan den anderen kant is onjuist de beslissing der Rechtbank te Arnhem van 4 Februari 1902, Wbl. 7767, dat iemand straffeloos een ander een der grootste en schandelijkste bedriegers kan noemen indien hij met zijne publiceering bedoelt aan te toonen het bestaan van leemten in de Boterwet, die bedrog mogelijk maken. Het laatste lid van art. 261 geldt toch niet voor beleediging in den vorm van uitschelden, alleen voor telastlogging van een bepaald feit. Het gebruik van gangbare scheldwoorden is nimmer te rechtvaardigen.

2) Smidt II, eerste druk 372, tweede druk 3'J3.

Sluiten