Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men heeft hier te doen met eene speciale reden van uitsluiting der strafbaarheid nevens de algeraeene van den derden titel van liet Eerste hoek. Het derde lid had dus moeten luiden: smaad en smaadschrift zijn niet strafbaar voor zoover, enz.

7. In het algemeen kan gezegd worden dat wanneer mijne handeling blijkt het algemeen belang te dienen ik heb gehandeld in het algemeen belang, al heb ik daaraan in het geheel niet gedacht. Maar nu kan toch niet de bedoeling zijn geweest dat ik vrij van straf zou zijn om dit toevallige, geheel buiten mijne gedachte liggende gevolg. Dat de Minister met zijne toevoeging aan het artikel dit niet bedoelde, volgt uit de reden die hij gaf, al was die onjuist. Zeggende dat het opzet ontbreekt wegens het handelen in het algemeen belang, kan hij slechts bedoeld hebben het geval dat de dader handelde om het algemeen belang te bevorderen; het opzet kan nooit beheerscht worden door den toevalligen uitslag der handeling. De onjuiste inkleeding der inotiveering neemt dus niet weg dat de bedoeling van den dader de grondslag is van de onstrafbaarverklaring van smaad en smaadschrift.

Moet men dan met de bedoeling alleen te rade gaan? De heer Goeman Borgesius noemde het bij de beraadslagingen der Tweede Kamer verkeerd dat iemand die, ingaande op een gerucht, een praatje, al houdt hij zich van de waarheid overtuigd, den inhoud openbaar maakt zich te zijner rechtvaardiging hierop kan beroepen dat hij door zijne handeling het algemeen belang wilde bevorderen.

Tegen deze bedenking werd een beroep gedaan op de geschiedenis der bepaling en aangetoond dat de redactie allengs (de eerste stoot was toch gegeven door de Commissie van Rapporteurs) enger was geworden; eerst was voorgesteld dat de dader slechts genoegzame redenen zou behoeven te hebben om het feit voor waar te houden, daarna dat hij gehandeld moest hebben met het oog op het algemeen belang. Beide redacties kwamen te ruim vóór; niet enkel de verklaring of het inzicht van den beleediger mocht in aanmerking komen, de rechter inoet in elk geval beoordeelen of er in het algemeen belang gehandeld is l). Men kan niet altijd absolute zekerheid bij den telastlegger verlangen; daarmede zou de vrije beoordeeling van regeeringsdaden onderdrukt worden, daar het in den regel onmogelijk is stellige zekerheid te hebben. „De regter hebbe dan te beoordeelen of men

van rechtsvervolging omdat het in zijn geheel bewezene feit in casu niet strafbaar is. \gl. L. Posthumus Meyjes, artikel 261 alinea 3 Wetboek van strafrecht, academisch proefschrift, Amsterdam 1887, bladz. 27 en volg.

') Zie Hooge Raad 31 October 1898, Wbl. 7196, P. v. J. 1898, no. 90.

Sluiten