Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

openbaar ministerie geleverd worden dat daartoe zijnerzijds moet uitlokken een onderzoek naar de waarheid, omdat voor handelen tegen beter weten altijd onwaarheid van de telastlegging noodig is; was zij waar dan ontbrak een element voor laster ook al hield de dader ze voor onwaar; niet op zijne meening, maar op het beter weten komt het aan; men kan nu niet weten dat iets onwaar is zoo het werkelijk waar is.

3. Als beginsel is aangenomen: geen laster zonder logen; feitelijk is dit echter voor het geval van art. 263 1° geworden: geen laster zonder voor den rechter volgehoudenen logen; en de beklaagde behoeft niet eenmaal zijnen eersten logen in te trekken om aan de veroordeeling wegens laster te ontgaan: hij kan eenvoudig de logenachtigheid zijner telastlegging in het midden laten l).

4. In het geval van art. 263 no. 1 kan nooit wegens laster gedagvaard worden; immers of er tot veroordeeling wegens laster geprocedeerd zal kunnen worden, kan niet ab initio vaststaan maar hangt af van de processueele houding van den beklaagde. Heeft deze beweerd dat hij in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging gehandeld heeft, m. a. w. dat hij volgens art. 261 derde lid niet strafbaar is, dan moet nog de rechter het onderzoek naar de waarheid der telastlegging noodig achten. Het openbaar ministerie zou dus in eene vervolging wegens telastlegging van een feit tegen beter weten niet ontvankelijk zijn omdat het a priori niet vaststaat dat het handelen tegen beter weten bewezen mag worden. Vgl. aanteekening 8.

Nadat het beroep op dit van straf ontheffende motief gedaan is kan de rechter reeds aanstonds uitmaken dat de beklaagde blijkbaar niet uit het door hem opgegevene motief gehandeld heeft.

De wet heeft hier alleen het oog op de houding die beklaagde tegenover de vervolging aanneemt in de openbare terechtzitting, niet gedurende de instructie. De algemeenheid der aanwijzing van den rechter die het bewijs der waarheid noodig acht mag niet leiden tot de opvatting dat hier de rechter-commissaris mede bedoeld is -). Het oordeel over de toelaatbaarheid van een verdedigingsmiddel staat toch alleen aan den eindrechter, en bewijs van de waarheid kan alleen ter

!) In hot volksreehtsbewustzijn is het onderscheid tussohen smaad en laster niet doorgedrongen. Meestal wordt klacht gedaan omdat de klager „het niet op zich wil laten zitten", en eene veroordeeling wegens smaad wordt dan aangemerkt als een bewijs van de onwaarheid der telastlegging. Dit leert de praktijk.

2) Anders Polenaar en Heemskerk, aanteekening 1 op art. 263.

Sluiten