Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 265.

Indien de beleedigde aan het te laste gelegde feit bij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard, is veroordeeling wegens laster uitgesloten.

Indien hij van liet te laste gelegde feit bij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is vrijgesproken, wordt dat gewijsde als volkomen bewijs der onwaarheid van liet. feit aangemerkt.

Indien tegen den beleedigde wegens het hem te laste gelegde feit eene strafvervolging is aangevangen, wordt de vervolging wegens laster geschorst totdat hij gewijsde onherroepelijk over liet te laste gelegde feil is beslist.

1. Het rechterlijke gewijsde in strafzaken wordt hier als volkomen bewijs van waarheid of onwaarheid van liet telastgelegde aangenomen, zonder tegenbewijs.

Dit is de grondgedachte van liet artikel dat immers alleen toegepast kan worden in de gevallen waarin liet bewijs der waarheid is toegelaten. Wat in dit artikel gezegd wordt is eigenlijk meer gevolgtrekking uit die gedachte.

Het eerste lid bepaalt dan ook iets dat wel van zelf spreekt; bij geblekene waarheid kan niet tegen beter weten in telaslgelegd zijn.

Maar ook veroordeeling wegens smaad is uitgesloten omdat het bewijs der waarheid in de gevallen waarin het is toegelaten tevens het bewijs is van de van straf ontheffende omstandigheid; zie aanteekening 4 en 7 op art. 2G2 en 2G3.

Wordt een vrijsprekend vonnis in het geding gebracht dan kunnen er nog termen zijn ter beantwoording van de vraag of de dader tegen beter weten gehandeld heeft.

Behoeft, daarvoor nu alleen aangetoond te worden dat de dader met de vrijspraak bekend is geweest? Mij dunkt, neen. Eene vrijspiaak geeft in zóóverre slechts formecle waarheid als zij alleen daarop berust dat het feit niet bewezen is; het kan daarom toch gepleegd zijn. Wanneer nu de telastlegger ooggetuige van het feit geweest is dan kan do vrijspraak niet uitwerken dat hij tegen beter weten een feit telastgelegd heeft dat hij toch in werkelijkheid hoeft zien plegen.

2. De bepaling van het derde lid is het noodzakelijke gevolg van het stelsel dat aan het artikel ten grondslag ligt: geen bewijs van de waarheid tegen eene vrijspraak. dat bewijs niet noodig naast eene

Sluiten