Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en of zij gedaan wordt op een oogenblik waarop de ambtenaar niet in functie is.

Dat de beleediging don ambtenaar ter zake van dc uitoefening zijner bediening wordt aangedaan behoeft juist niet uit liaro inkleeding te blijken, maar kan uit de omstandigheden waaronder zij gedaan wordt afgeleid worden.

2. Ambtenaar, zie aanteekening 9 op art. 28—31, aanteekening 7 op art. 44, en art. 84.

Rechtmatige uitoefening der bediening, zie aanteekening 4 op art. 180.

3. De datier zal moeten weten dat lui eenen ambtenaar beleedigt. De beleediging moet toch gericht zijn tegen den ambtenaar, den drager van het gezag, niet tegen iemand die blijkt toevallig ambtenaar te zijn zonder dat de beleediger zich daarvan bewust is. Vgl. aanteekening 8 op art. 92; dezelfde beginselen moeten mutatis mutandis hier gelden.

Wanneer ter zake van de uitoefening der bediening beleedigd wordt ligt in den regel in het feit zelf de wetenschap omtrent de qualiteit van den beleedigde opgesloten; het geval laat zich intusschen denken dat ook de aangevallene daad den beleediger niet als ambtsdaad bekend was en hij ze uitsluitend om haar zelve aanvalt.

4. Bij dit artikel wordt niet een nieuw misdrijf strafbaar gesteld maar wordt de straf verhoogd in geval de verzwarende omstandigheid aanwezig is. Blijkt nu bij het onderzoek dat de ambtenaar niet beleedigd is gedurende of ter zake van de uitoefening van zijne bediening, dan vervalt dus niet het geheele misdrijf maar de beleediging blijft; dit geldt zoowel voor het geval dat de uitoefening niet rechtmatig was als dat er in het geheel geene uitoefening was.

De rechter zal dan allereerst moeten onderzoeken of er eene wettige klacht is gedaan, bij gebreke waarvan wegens de bepaling van art. 269 het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging!).

Artikel 268.

Hij die opzettelijk tegen een bepaald persoon bij de overheid eene valsche klachte of aangifte schriftelijk inlevert of in schrift doet brengen, waardoor de eer of goede naam

1) Hoo-e Raad 20 December 1897, Wbl. 7059, P. v. J. 1898, no. 12.

Sluiten