Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet licht voorkomen dat eene vervolging wegens lasterlijke aanklacht ingesteld wordt terwijl wegens het feit dat er den inhoud van uitmaakt reeds eene veroordeeling is uitgesproken. Dat de aangifte na eene vrijspraak gedaan wordt is meer denkbaar omdat zij in elk geval nog een administratief onderzoek zou kunnen ten gevolge hebben, llij die de aangifte doet heeft in elk geval recht op een onderzoek. De gevallene vrijspraak belet wel eene nieuwe behandeling ten nadcele van den vrijgesprokene, maar zij behelst niet meer dan dat het feit niet bewezen is. De aangever kan ooggetuige zijn geweest, en kan dan nimmer eene lasterlijke aanklacht doen. Ook het derde lid is dus niet toepasselijk').

Artikel 269.

Beleediging, strafbaar krachtens dezen titel, wordt niet vervolgd dan op klaclde van hem tegen wien het misdrijf is gepleegd, behalve in het geval van artikel 267.

1. Beleediging in dezen titel strafbaar gesteld omvat smaad en smaadschrift, eenvoudige beleediging en lasterlijke aanklacht; zie aanteekening t aan het hoofd van den titel.

2. Uit het noemen van de persoon die tot klagen bevoegd is mag niet worden afgeleid dat hier de wettige vertegenwoordiger in burgerlijke zaken zou zijn uitgesloten.

Dat deze den tot klacht bevoegde onder zekere omstandigheden vervangt is een algemeene regel, die slechts uitzondering lijdt waar liij wegens het noemen van eenen hijzonderen klager of wegens uitdrukkelijke wetsbepaling niet toegepast kan worden, art. 241, 270, 271 (voor zoover het misdrijf eenen overledene betreft), 273, 281.

Uit de tegenstelling met art. 245 mag ook niet worden afgeleid dat hier degene tegen wien het misdrijf gepleegd is bij uitsluiting bevoegd wordt verklaard. Daar geldt het toch eene persoon minder dan zestien jaar oud, die geene klacht indienen kan; het artikel werd in het ontwerp niet aangetroffen, en toen het er in gebracht werd wees het als bevoegde klagers aan de personen wier toestemming de vrouw tegen wie het misdrijf gepleegd is tot het aangaan van een huwelijk noodig heeft. Uit overweging dat deze bijzondere bepaling

l) Vgl. C. J. Prins, Artikel 268 Wetboek van strafreeht, academisch proefschrift , Leiden 1887, bladz. 24.

Sluiten