Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarom is ook wel juist wat in de Memorie van toelichting voorkomt omtrent het verband tusschen de verplichting tot zwijgen en art. 42; daar waar verplichting bestaat tot het afleggen van .getuigenis wordt de strafbaarheid van het spreken opgeheven i). Maar geheel ten onrechte wordt art. 42 in verband gebracht met de daad van hem die zich verschoonen mag maar niet wil; hij spreekt niet omdat een wettelijk voorschrift het gebiedt maar omdat hij het goed vindt.

Maar wanneer hij niet spreken mag moet hij zwijgen; dan is niet de algemeene verplichting tot getuigenis afleggen het wettelijke voorschrift dat hem art. 272 mag doen overtreden, maar behelst integendeel dit artikel het voorschrift dat hem moet nopen tot zwijgen.

Art. 378 Code pénal is strenger dan ons artikel; het stelt strafbaar elke bekendmaking van geheimen door hen die door stand of beroep ze deelachtig zijn geworden, maar kent als voorwaarde voor strafbaarheid van spreken niet de verplichting tot bewaring van het geheim. Daarom kan onder de werking van dat artikel een Katholiek geestelijke gestraft worden wegens bekendmaking van hetgeen hij in den biechtstoel vernomen had, zou een advocaat kunnen veroordeeld worden wegens bekendmaking van de geheimen zijner cliönten.

Thans is dit anders; er is eene bepaald opgelegde verplichting noodig. Zij behoeft intusschen niet uitsluitend op een wettelijk voorschrift te berusten, kan ook het gevolg zijn van in het beroep opgelegde verplichtingen tegenover hem die de uitoefening van het beroep heeft mogelijk gemaakt, bijv. in eene bepaalde betrekkingheeft aangesteld.

Terwijl bijv. de ambtenaren der registratie door art. 47 der wet van 27 September 1892, Stbl. 223, wettelijk verplicht zijn tot geheimhouding van al wat de vermogensbelasting betreft, spreekt de wet niet van de verplichtingen der bedienden op de registratiekantoren. Maar de ambtenaren zijn aangeschreven hunnen bedienden de geheimhouding op te leggen; dientengevolge wordt elke bediende wien de geheimhouding door zijnen chef is opgelegd strafbaar door elke handeling in strijd niet het gebod 2).

!) Zoo zal ook de verplichting bij art. 13(i opgelegd den voorrang hebben bij die tot bewaring van aiubts- of beroeps-geheim. Het wijzigingsontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900) bepaalt dit uitdrukkelijk.

2) Zie de Wilde in Tijdschrift voor strafrecht IX, bladz. 313. Dat de wet op de vermogensbelasting eene bijzondere strafbepaling bevat tegen de ambtenaren die het geheim schenden, kan wel niet uitsluiten dat de bedienden onder de algemeene bepaling van art. 272 vallen.

Sluiten