Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handelen en denken, en zóo eigenlijk als hoofdpersoon in de handeling kunnen optreden, terwijl anderen meer hunne helpers zijn

Waar is nu, indien de minderjarige toestemt en medewerkt, de grens tusschen de gevallen waarin hij zich zeiven onttrekt en die waarin iiij onttrokken wordt?

Wie het initiatief genomen heeft kan niet beslissend zijn; of de minderjarige uit zich zeiven het voornemen tot vluchten heeft opgevat dan wel door een ander daartoe gebracht is doet niet af tot de materieele elementen van het misdrijf.

De medewerking van den minderjarige kan ook niet beslissen; die toestemming geeft tot zijne wegvoering zal ze allicht mogelijk maken door de plaats, hem voor verblijf aangewezen, te verlaten; nu gaat liet toch eigenlijk ook niet aan het misdrijf aanwezig te achten wanneer de dader zich in die plaats (het huis b. v.) begeven heeft en den minderjarige feitelijk heeft weggehaald, en niet wanneer deze het feit gemakkelijk heeft gemaakt door zich tot den buiten wachtende te begeven.

Het beslissende moment zal wel liggen in het feitelijk bewerken van de verwijdering en de feitelijke medewerking daartoe, zoodat hij die rechtstreeks medewerkt aan de ontvluchting van den minderjarige onder de strafbepaling valt evengoed als hij die hem oplicht of weghaalt.

De moeielijkheid ware te ontgaan geweest door eene uitbreiding van het artikel in den geest van art. 191 en art. 367 (behulpzaam zijn bij zelfbevrijding). Uit de tegenstelling mag echter niet worden afgeleid dat hulp aan dengene die zich zeiven onttrekt niet strafbaar zou zijn. Veeleer worde art. 279 vergeleken met art. 281 10, waaronder toch zeker ook begrepen is het geval dat de vrouw den schaker tegemoet komt en met hem samenwerkt. De plaatsing van beide artikelen in denzelfden titel geeft tot deze vergelijking en gelijkstelling gereede aanleiding.

Raad of overreding alleen zal echter niet voldoende zijn; als minimum is vereischt eene handeling die de onttrekking mogelijk maakt of bevordert 1).

3. Wettig gezag en opzicht. zie aanteekening 5 op art. 253. Kan bij art. 253 eene leemte geconstateerd worden, dezelfde omstandigheid, die bij dat artikel daartoe leidt, maakt dat art. 279 van zeer wijde strekking is daar o. a. diegene der ouders, die niet het ouderlijk gezag uitoefent en aan wien het kind niet is toegewezen, behoort tot de personen die het misdrijf kunnen plegen.

1) Vgl. Polenaar en Heemskerk, aanteekening 4; Rechtbank 's Gravenhage 12 November 1894, Wbl. 6580, P. v. J. 1895, no. 2.

noyon, Het Wflb. r. Slrafr. III, 2e druk. 5

Sluiten