Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook voor toepassing van dit artikel rijst eene dergelijke vraag, en ook hier dient onderscheiden te worden naar de bedoeling die de dader met zijne handeling heeft. Elk aangrijpen, alle vasthouden kan niet vrijheidsrooving genoemd worden; het verdient eerst dien naam wanneer eene belemmering van althans eenigen duur is voorgenomen.

In de Memorie van toelichting wordt gezegd dat niet juist noodig is het middel van opsluiting, maar dat ook vastbinden eene vrijheidsrooving kan zijn. Is er echter niet meer dan eene belemmering in de vrijheid van beweging op eene wijze die uit den aard der zaak slechts van zeer tijdelijken aard kan zijn en niet de aanvang is van eene als meer voortdurend bedoelde, dan mag art. 284 1" toepasselijk zijn, roaar valt de handeling niet onder art. 282. Dat de duur der berooving op zich zelf niet den aard maar den graad der handeling betreft, zooals ook in de Memorie van toelichting gezegd wordt, raakt nog niet deze vraag; bij die uitspraak is ondersteld dat de vrijheidsrooving in de gepleegde handeling reeds opgesloten ligt.

2. Het ontwerp maakte in zijne artikelen 304 en 412—416 onderscheid tusschen handelingen van bijzondere personen en van ambtenaren. Men begreep echter dat dit onderscheid kon vervallen en dat alle opsluiting door ambtenaren in strafgestichten eene vrijheidsrooving uitmaakt, waartegen, indien zij wederrechtelijk gedaan wordt, art. 282 jO 44 voldoende waakt.

Evenzoo was volgens de Memorie van toelichting reeds onder art. 282 begrepen het opnemen in een krankzinnigengesticht; echter was in art. 305 van het ontwerp afzonderlijk straf gesteld op liet doen opnemen in zulk een gesticht op grond dat de gevolgen, die bij het tweede en het derde lid van art. 282 in aanmerking komen, aan hem die doet opnemen niet kunnen worden geïmputeerd. "Waarom dit dan niet het geval zou zijn bij het doen rooven van de vrijheid op andere wijze was niet duidelijk, en op de opmerking dat de gevolgen toch evenmin rechtstreeks te wijten zijn aan hem die van de vrijheid berooft als aan hem die van de vrijheid doet berooven, werd art. 305 geschrapt.

Alle twijfel of onder art. 282 bij uitzondering het doen plegen niet zou vallen is daarmede ten overvloede opgeheven.

3. >"evens het van de vrijheid berooven is liet beroofd houden strafbaar gesteld, opdat ook getroffen zou worden hij die eene oorspronkelijk niet wederrechtelijk of niet door hem gepleegde vrijheidsrooving wederrechtelijk voortzet.

4. Wederrechtelijk, zie deel I, bladz. 13.

Sluiten