Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der opvoeding, de algemeene of bijzondere veiligheid in aanmerking. De Minister van justitie verzette zich dan ook tegen den van de Tweede Kamer uitgeganen drang tot schrapping van het woord wederrechtelijk. er op wijzende dat de dwang soms niet wederrechtelijk is, al kan geen beroep worden gedaan op een bij het wetboek erkend fait justificatif. Daarmede veroordeelde hij echter zijne even te voren gegevene uitspraak dat dwang tot nalaten van onrechtmatige handelingen strafbaar is, eene uitspraak die trouwens in de Memorie van toelichting op art. 179 wordt teruggevonden, maar berust op eene miskenning van het feit dat art. 284 10 alleen strafbaar stelt wederrechtelijken dwang; zie aanteekening 3 op art. 179.

Overigens was het voorbeeld van onstrafbaren ofschoon niet door eene wetsbepaling gerechtvaardigden dwang, door den Minister gege\en, onjuist gekozen. Hij sprak van den vader die zijn minderjarig kind met geweld het bezoeken van sommige plaatsen belet. De onstrafbaarheid is hier eenvoudig het gevolg van den invloed aan de ouderlijke tucht toegekend, waardoor ook castigatio paterna buiten hot begrip van mishandeling valt.

2. Geweld, bedreiging met geweld, zie aanteekening 3 en G op art. 81 en 4 en 5 op art. 95.

3. Bij de wet van 11 April 1903, Stbl. 111, is het strafbare dwangmiddel van geweld of bedreiging met geweld uitgebreid tot feitelijkheden of bedreiging daarmede, tot tegengaan van overlast, inzonderheid aangedaan bij werkstakingen door stakers aan hen die aan het werk blijven.

Bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer ontspon zich een debat over de beteekenis van feitelijkheden; men vond het begrip te onbepaald en er werd voorgesteld het woord te vervangen door handtastelijkheden, wat de Minister van justitie weder te eng begrensd vond. Deze wilde de beteekenis van feitelijkheden geheel doen aansluiten bij die welke het woord in art. 2G6 heeft. Tegen de meening dat bij art. 2G6 van eene gequalificeerde feitelijkheid sprake zou zijn \erzette hij zich, als zijn oordeel uitsprekende dat juist in art. 2S4 de beteekenis eer enger zou zijn, omdat het gemakkelijker is iemand door feitelijkheden te beleedigen dan tot iets te dwingen i).

Men geraakte hier eigenlijk een weinig van den weg af en sprak niet meer over het begrip van feitelijkheden maar over een vereischte vooi de toepassing van art. 2GG, den beleedigenden aard, en een voor die van art. 284, de dwingende kracht.

!) Snudt, tweede druk V, 632.

Sluiten