Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Feitelijkheden zijn nu ook hier in het algemeen alle handelingen die aan de eene zijde niet vallen in liet begrip van geweld, aan de andere zijde niet uitsluitend bestaan in het uitspreken van woorden.

Om werkzaam middel tot het plegen van het misdrijf van dit artikel te zijn moeten zij zijn van zul ken aard dat zij naai' do gege\ene omstandigheden redelijkerwijs iemand kunnen dwingen, hem zijns ondanks brengen tot hetgeen van hem wordt verlangd. Daarom schijnt, al is het begrip op zich zelf vrij uitgebreid, de vrees voor te ruime toepassing ongegrond.

4. Steeds wederrechtelijk wegens het gebezigde middel is de dwang, genoemd in no. 2 van het artikel. Niemand heeft liet recht door bedreiging met smaad of smaadschrift te dwingen tot iets, zelfs niet tot hetgene do gedwongene op zich zelf verplicht is te doen, na te laten of te dulden; aanwending van dit middel krenkt eens anders recht altijd.

5. De bedreiging van no. 2 heeft tot inhoud smaad of smaadscln ift. Door deze beperking is uitgesloten elke andere soort ^ au beleediging. inzonderheid het doen van eene lasterlijke aanklacht1). De woorden der wet wijzen het zelve reeds aan; de zaak is daarenboven tei sprake gekomen bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer, toen de heer Vening Meinesz op de leemte wees, ontstaan door het weglaten van lasterlijke aanklacht; juist de bedreiging daarmede is een gewoon middel van chantage. De .Minister van justitie achtte de \eilangde bijvoeging niet noodig omdat de bedreiging met lasteilijke aanklacht den bedreigde juist tegen die aanklacht wapent eti overigens in het artikel dat handelt over chantage, den bijzonderen dwang waarmede het verkrijgen van een vermogensvoordeel beoogd wordt, nevens smaad en smaadschrift de openbaring van een geheim genoemd is 2). Hij vergat daarbij echter «lat ook ter verkrijging \an iets andeis dan zoodanig voordeel dezelfde middelen gebruikt kunnen worden, en dat art. 284 wat die middelen betreft toch met art. 317 en 318

behoorde overeen te stemmen 3).

Wat smaad of smaadschrift is moet beoordeeld worden naar art. 261.

!) Hooge Raad 26 November 1888, Wbl. 5648, P. v. J. 1888, no. ]■>.!, gewezen naar aanleiding van art. 318, maar ook hier toepasselijk.

2) Snridt II, eerste druk 421, tweede druk 444.

3) In het Wetboek van strafrecht voor Europeanen in Nederlandseh Indie is de lasterlijke aanklacht opgenomen, daar het gemis door den ontwerper eene leemte werd geacht.

Sluiten