Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Raad bij een arrest van 8 Februari 1897 !) besliste, bepaaldelijk niet dat de bedreiging op den bedreigde eene zoodanigen indruk heeft gemaakt dat er werkelijk vrees door is opgewekt en hij zich in zijne vrijheid belemmerd achtte; het kan toch niet van de meerdere of mindere vatbaarheid voor indrukken van den bedreigde afhangen of er misdrijf is gepleegd.

De inbreuk op de vrijheid bestaat dus reeds wanneer de bedreiging van dien aard is en onder zulke omstandigheden is gedaan dat zij in liet algemeen eene zoodanige vrees opwekken kan 2). Onder die omstandigheden behoort ook deze dat zij ter kennis van den bedreigde kan komen. Daarom kan ik mij vereenigen met de beschouwing dat de bedreiging: „nu zal ik je den hals afsnijden", uitgesproken tegen eenen bewustelooze, geene strafbare bedreiging is3). In dit geval wordt de bedreiging bepaald door de wijze van inkleeding, die het voornemen tot onmiddellijke uitvoering te kennen geeft. De bedreigde kan er dus geene kennis van bekomen op een oogenblik waarop nog vrees bij hem kon worden opgewekt. Maar indien de bedreiging had geluid: „ik zal hem morgen den hals afsnijden", dan had zij zeer goed vóór den tot de uitvoering bepaalden tijd ter kennis van den bedreigde kunnen komen.

De Hooge Raad besliste intusschen bij het aangehaalde arrest van 1897 dat de omstandigheid, dat de bedreigde werkelijk kennis van de bedreiging gedragen heeft, een element van het misdrijf is, omdat de bedreiging zoolang de bedreigde er geene kennis van draagt geenen indruk op hem kan maken. Hieruit zou volgen dat het misdrijf eerst voltooid is wanneer de bedreiging ter kennis van den bedreigde gebracht wordt, dus door eene toevallige omstandigheid die geheel buiten den invloed van den dader ligt. Er wordt immers niet gevorderd dat de dader zelf zorgt dat de bedreigde tot de wetenschap deibedreiging komt, alleen dat er een opzet is om de bedreiging tot diens kennis te doen komen; het zou dus voldoende zijn dat hij de bedreiging doet opdat de bedreigde er kennis van krijgen zal. Het gevolg is dat het misdrijf wordt voltooid door de daad van den overbrenger, van een ander dus dan den dader. Dit nu kan niet juist zijn. En daarenboven, wat is er dan in den tusschentijd? Naar de

1) Wbl. 6926, P. v. J. 1897, no. 37; zie ook Hooge Raad 13 April 1896, Wbl. 6801, P. v. J. 1896, no. 39, en 9 November 1896, Wbl. 6884, P. v. J. 1896, no. 101.

2) Hooge Raad 30 Januari 1899, Wbl. 7240, P. v. J. 1899, no. 14 (vgl. 1898, no. 90), en '29 Februari 1904, Wbl. 8040, P. v. J. 1904, no. 376.

3) Tijdschrift voor strafrecht III, bladz. 507, no. 7.

Sluiten