Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opvatting van den Hoogen Raad schijnt er dan poging te zijn. Maai' aan ieinancl kan toch niet poging telastgelegd worden zoolang het misdrijf nog voltooid kan worden, en het kan voltooid worden zoolang de verjaringstermijn niet verstreken is. öok de verjaring wordt dus bepaald niet door de daad van den bedreiger maar door die van hem die den bedreigde de wetenschap van de bedreiging verschaft.

Poging is overigens m. i. niet mogelijk; men kan bezwaarlijk trachten te bedreigen l).

In de eigene woorden van den Hoogen Raad ligt aan den anderen kant opgesloten dat de bedreiging reeds bestaat zoodra de dreigende woorden zijn uitgesproken; meer dan het bestaan nu eischt de wet niet. Hoewel ook buiten de wet, ware het consequent geweest te beslissen dat er geene mondelinge bedreiging is dan die ten aanhooren van den bedreigde wordt uitgesproken.

Ik herhaal dat de bedreiging ter kennis van den bedreigde heeft moeten kunnen komen; eene onhoorbaar uitgesprokene bedreiging is evenmin een misdrijf als eene schriftelijke die de dader onder zich houdt.

3. Ofschoon het tweede lid enkel van toepassing kan zijn op bedreiging door woorden, is over het algemeen bedreiging door daden van de strafbaarheid niet uitgesloten 2).

4. De inhoud der bedreiging moet altijd zijn een der in art. 285 opgenoemde misdrijven. Of met zulk een misdrijf gedreigd is, hangt niet altijd uitsluitend van de gebezigde woorden of de gepleegde handeling af; in het bijzonder geldt dit van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. Ook hier zal dikwijls van invloed zijn de beantwoording van de vraag welke vrees door de bedreiging opgewekt kan worden. Zoo behoeft op iemand schieten, iemand met een zwaar voorwerp op het hoofd slaan, iemand te water werpen, niet altijd een misdrijf tegen het leven of zware mishandeling te zijn. Maar daaruit mag niet volgen dat eene bedreiging

!) De geheele beschouwing over poging, zoowel in het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waartegen het beroep in cassatie gericht was als in dat van den Hoogen Raad, wijst er op dat men wel gevoeld heeft dat het niet aanging de straffeloosheid aan te nemen van elk dreigement zoolang dat niet ter kennis van den bedreigde gekomen is, want in de houding van het openbaar ministerie was er geene aanleiding voor; dit had noch schuldigverklaring, zij het slechts subsidiair, wegens poging gevorderd, noch als cassatiemiddel schending van art. 45 voorgesteld.

2) Hooge Raad 30 Januari 1899 en 29 Februari 190-1 voormeld.

ü»

Sluiten