Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met eene dier handelingen, omdat deze niet altijd den dood of zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben, niet zou zijn eene bedreiging met een van deze misdrijven. Wanneer gedreigd wordt met eene gewelddadige handeling van dien aard dat bij den bedreigde de redelijke vrees kan ontstaan dat hij bij eventueele uitvoering het leven zal verliezen, valt de bedreiging onder dit artikel, ook al heeft de dader niet als zijn voornemen het veroorzaken van den dood bepaaldelijk te kennen gegeven !).

5. Bedreiging is altijd de uitdrukking van een voornemen; zoodra aan dat voornemen gevolg wordt gegeven is er geene bedreiging meer. Of iets nu is bedreiging of de uitvoering er van zal van omstandigheden afhangen. Het afschieten van een geweer in de richting van eenige personen met het doel om vrees aan te jagen, met dezelfde bedoeling dus als het schieten in de lucht waarmede het beteugelen van oproerige bewegingen dikwijls aanvangt, heeft het karakter van bedreiging, terwijl het schieten op iemand dat niet meer zou hebben2).

6. Ontleent de bedreiging hare kracht aan de er in vervatte uitdrukking van het voornemen tot volvoering, dat voornemen behoeft daarom niet te bestaan.

Het is ook niet juist noodig dat het voornemen als vaststaande wordt te kennen gegeven; ook indien slechts (wat in het bijzonder bij bedreiging onder voorwaarde voorkomt) de mogelijkheid of waarschijnlijkheid in uitzicht gesteld wordt, bestaat het misdrijf, omdat daardoor reeds de vrees opgewekt, de vrijheid belemmerd kan worden3),

7. Voor de bijkomende straf zie art. 286.

!) Vgl. Gerechtshof Leeuwarden (sine die) P. v. J. 1888, no. 129; Gerechtshof Amsterdam 12 Februari 1889, Wbl. 5718, P. v. J. 1889, no. 17; Rechtbank Alkmaar 20 Maart 1889, Tijdschrift voor strafrecht V, bladz. 520, no. 8; Rechtbank Almelo 21 Februari 1893, Wbl. 0381. Anders Gerechtshof Leeuwarden 16 Februari 1888, Tijdschrift voor strafrecht V, bladz. 521, no. 18. Vgl. ook Rechtbank Amsterdam 3 Februari 1899, P. v. J. 1899, no. 3; Rechtbank Tiel 18 April 1901, Tijdschrift voor strafrecht XIV, Rechtspraak bladz. 26.

2) Vgl. Hooge Raad 30 Januari 1899, voormeld, met de daaraan voorafgaande conclusie en de kritiek van D. S. in Tijdschrift voor strafrecht XII, Rechtspraak bladz. 25. Het arrest schijnt wat te algemeen gesteld; overigens blijkt niet juist op welke feitelijke toedracht het berust: er is nu sprake van afschieten op iemand, dan wéér van afschieten in de richting van iemand. Zie ook Gerechtshof Arnhem 16 Juni 1899, Wbl. 7338.

3) Rechtbank Amsterdam (sine die) P. v. .1. 1888, no. 121.

Sluiten