Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het leven eener bepaalde persoon die er geene bescherming voor wenscht, maar richt zich tegen de schending van den eerbied aan het menschelijk leven in het algemeen verschuldigd.

Als voorwaarde voor de afscheiding van het hier bedoelde misdrijf van den doodslag is gesteld het uitdrukkelijke en ernstige verlangen van hem die van het leven beroofd wordt; in zooverre wordt dan toch ook het leven van de bepaalde persoon beschermd tegen haar zelve, dat een niet ernstig en niet uitdrukkelijk gedaan verzoek den levensroover niet ontlast.

De ernst van het verzoek kan natuurlijk alleen ondersteld worden naar de uiterlijke gedragingen van den verzoeker; diens werkelijke meening is niet na te gaan en heeft dus geenen invloed; het komt aan op den vorm, de inkleeding van het verzoek, waardoor dit ernstig schijnt te zijn.

Het woord uitdrukkelijk wijst daarentegen een uiterlijk kenmerk van het verlangen aan; als samentrekking van „uitdrukkelijk te kennen gegeven" stelt het den eisch van niet maar een los praatje of de enkele toestemmende beantwoording van eene vraag, maar eene eigene onomwondene en onmiskenbare handeling van den gedoode. Wanneer de dader te doen heeft met een kind of weet te doen te hebben met eenen krankzinnige kan daarvan geene sprake zijn.

Dat juist woorden er voor gebezigd zijn, zoodat bijv. een doofstomme niet door teekenen uitdrukkelijk zijn verlangen te kennen zou kunnen geven, acht ik nietnoodig: het komt op de onmiskenbare bedoeling aan.

Het uitdrukkelijke van de tekennengeving is op zijne beurt weder eene aanwijzing van liet ernstige van liet verlangen.

Daar het artikel eene uitzondering op de gewone regelen voor de strafbaarheid van levensrooving behelst zal de omstandigheid dat het verlangen bestond buiten weten van den dader niet afdoende zijn, noch ook zijne meening dat het te kennen gegeven is. Hij moet kunnen aantoonen dat hij het bestaan van het verlangen positief kende; dit volgt uit de woorden }1op zijn verlangen". Niet alleen moet er verband bestaan tusschen de daad en het verlangen maar dit (en dus ook niet alleen het vertrouwen dat het bestaat) moet de daad bepaald hebben. De verschoonende omstandigheid geldt daarom ook alleen voor dien deelnemer die zich op zijne wetenschap van het bestaan van het ernstige en uitdrukkelijke verlangen beroepen kan!). Daardoor is echter niet uitgesloten de toepassing van art. 293 op het geval dat de dader ook nog door iets anders, bijv. eene toegezegde belooning,

1) Anders P. J. Bijleveld, Artikel 293 Wetboek van strafrecht, academisch • proefschrift, Leiden 1883, bladz. 74 en 75.

Sluiten