Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in lezen dat, indien de geneeskundige, vroedvrouw of artsenijbereider medeplichtig is aan de misdrijven van art. 295—297 , de daar bepaalde straffen voor den dader met een derde kunnen worden verhoogd, ten gevolge waarvan bij toepassing van art. 49 de medeplichtige twee derden maal een en een derde van de in de wet bepaalde maxima, of acht negenden daarvan zou kunnen beloopen.

Het is echter tegen den regel van art. 50 dat de dader zwaarder gestraft zou worden wegens de persoonlijke hoedanigheid van zijnen medeplichtige.

Ook uit de verbinding van dader en medeplichtige voor zooveel aangaat de misdrijven van art. 296 en 297 moet worden afgeleid dat liet artikel toepasselijk is op de straf van den geneeskundige, de vroedvrouw, den artsenijbereider. Dan zou echter nog de vraag gesteld kunnen worden of de medeplichtige kan worden gestraft met een derde meer dan het gewone maximum dan of art. 49 in zooverre toepasselijk blijft dat hem slechts twee derden van de verhoogde straf kunnen worden opgelegd. Het komt mij vóór dat de toepasselijkheid van art. 49 is opgeheven, en dat de geneeskundige, medeplichtige, even zwaar wordt gestraft als de geneeskundige, dader, en een derde zwaarder dan elke andere dader. Er staat niet dat het maximum met een derde wordt verhoogd zoodat aangegeven zou worden op welke straf de reductie voor den medeplichtige moet worden toegepast, maar dat de straf (voor den medeplichtige) kan worden verhoogd; dus dat zij in haren vollen, vergrooten omvang op den medeplichtige kan worden toegepast.

2. De strafverhooging geldt voor art. 295 niet hem door wien de vrouw hare vrucht laat afdrijven of dooden; deze is niet haar medeplichtige. maar de dader van het misdrijf van art. 297.

3. Vermits hier gesproken wordt van de misdrijven van de vorige artikelen zal in geval die van art. 296 en 297 aanwezig zijn de bijkomende straf van art. 299 aan de hier genoemde personen kunnen worden opgelegd.

Artikel 299.

Hij veroordeeling wegens doodslag, wegens moord ol wegens een der in de artikelen 293 , 296 en 297 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—<> vermelde recliten worden uitgesproken.

Sluiten