Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het misdrijf van diefstal kan dus in het algemeen slechts worden gepleegd op verplaatsbare zaken. De wetgever heeft met opzet vermeden te spreken van roerende zaken ter voorkoming van de bewering dat het begrip uit het Burgerlijk wetboek zou verklaard worden i); hij heeft daarmede mogelijk gemaakt dat voorwerp van diefstal worden zaken die op zich zelve onroerend zijn maar door afscheiding verplaatsbaar worden, als boomen. Het omhakken van eenen boom is dan nog niet de wegneming maar het middel om de wegneming mogelijk te maken, casu quo strafbare poging tot diefstal.

3. Zonder wegneming is er in geen geval diefstal. Intussehen kan men ook doen wegnemen; als zoodanig zou ik beschouwd willen zien de daad van hem die aan een ander een hem niet toebehoorend voorwerp waarbij hij zich eenvoudig ophoudt verkoopt, den koopprijs tot zich neemt en toelaat dat het voorwerp door den kooper wordt medegenomen. De wederrechtelijke toeëigening is hier gelegen in de beschikking over het goed ten eigenen bate. Het misdrijf zal eerst voltooid zijn wanneer het verkochte werkelijk is verwijderd. Overigens kan het feit in verband met de bepaling van art. 2014 jO 637 Burgerlijk wetboek somtijds de kenmerken hebben van oplichting tegenover den kooper gepleegd 2).

4. Het voorwerp van diefstal is goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort. Niet elk goed valt echter daaronder; wegneming van de voorwerpen in art. 314 genoemd heet niet diefstal maar strooperij. In zooverre lijdt de omschrijving aan eene min logische algemeenheid, gevolg van de zucht om aan de benaming van diefstal te onttrekken het wegnemen van bepaalde voorwerpen, dat in het

Smidt II, eerste druk 463, tweede druk 487.

2) Zie Rechtbank 's Gravenhage 26 Augustus 1898, Wbl. 721], In auderen zin Gerechtshof 's Hertogenbosch 12 Maart 1896, P. v. J. 1896, no. 27.

Als oplichting gequalificeerd door Rechtbank Zwolle, 3 September 1903, "Wbl. 7982. Zie daarover P. F. Cremers in Tijdschrift voor strafrecht XVI, 145, met wiens verwerping van de qualificatie van oplichting ik mij kan vereenigen nu op de markt verkocht werd eu de kooper dus niet aan terugvordering zonder betaling van den prijs bloot stond. Dat er in de niet door art. 637 Burgerlijk Wetboek uitgezonderde gevallen geen concursus met oplichting zou kunnen zijn, kan ik niet toegeven aan dezen schrijver. Het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeeling vloeit voort uit het feit dat verkocht wordt een voorwerp dat vatbaar is voor terugvordering zonder vergoeding, en het is onverschillig of de afgifte van het geld het gevolg is van eene overeenkomst, die immers bedriegelijk is gesloten.

Sluiten