Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Wat liet wegnemen van eens anders goed tot diefstal maakt is het oogmerk des daders om zich liet goed wederrechtelijk toe te eigenen, om eens anders eigendom wederrechtelijk tot den zijnen te maken.

Voor het bestaan van dat oogmerk is in de eerste plaats noodig de meening dat de zaak eens anders eigendom is; wanneer de dader rechtmatige reden heeft het er voor te houden dat hij zijne eigene zaak wegneemt kan er geene sprake zijn van een oogmerk tot toeeigening, wanneer hij meenen mag eene aan niemand toebehoorende zaak weg te nemen kan liet oogmerk niet op wederrechtelijke toeëigening gericht zijn evenmin als in liet geval dat hij gerechtigd is tot de meening dat de eigenaar hem de beschikking over de zaak verleend heeft!).

Wederrechtelijke toeëigening is toch toeëigening die het recht van den eigenaar schendt; zie deel I bladz. 1.5 en \ olg.

Of de eigenaar den dader bekend is, of deze dus weet wiens recht hij schendt is onverschillig; het vereischte oogmerk kan zelfs bestaan bij wegneming van goed dat geenen eigenaar heeft indien de dader maar meent eens anders eigendom te nemen, al mist het goed eene eigenschap, noodig om het tot voorwerp van diefstal^ te maken; zie aanteekening 8 op art. 177 en aanteekening 1 op art. 317.

Toeëigenen bestaat in eene daad van beschikking als eigenaar en meester. Gebruiken, in pand nemen van eens anders goed, is geene toeëigening 2). Overigens is geenszins noodig de wil om den eigendom bij voortduring te behouden; men kan ook stelen met het oogmerk om terstond na den diefstal het goed ter beschikking van een ander te stellen, daar deze overdracht toch ook is eene daad van eigenaar3).

Uit dit oogpunt moet beantwoord worden de vraag of diefstal kan heeten het wegnemen van eens anders eigendom, niet om daarvan te genieten maar om wegens diefstal te worden aangehouden en veroordeeld en zóo een verblijf in de gevangenis te bekomen.

De vraag, veel ouder trouwens dan ons wetboek, kwam ook bij de vaststelling 'ter sprake 4). Reeds in de Memorie van toelichting werd alle gedachte aan winstbejag als noodzakelijk oogmerk van den dader

1) Dat de feitelijke houder de beschikking geeft is niet voldoende, Hooge Kaad 24 Juni 1901, WbL 7Ö26, P. v. J. 1901, no. 69. Met den advocaat generaal Rethaan Macaré zou ik daaraan de beperking willen toevoegen: tenzij de dader recht had te meenen dat de houder daartoe de bevoegdheid had. Vgl. Gerechtshof Amsterdam "22 October 1901, 1'. v. .1. 1902, no. 116.

2) Zoo ook Rechtbank Winschoten 22 Februari 1901, Wbl. <o64.

3) Vgl. Rechtbank Amsterdam 18 Augustus 1887, Wbl. 549..

4) Smidt II, eerste druk 464, tweede druk 488.

Sluiten