Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar zij zegt dat dit no. van het artikel met minder omhaal van woorden teruggeeft de omschrijving van art. 388 Code pénal: chevaux, bêtes de charge, de voiture ou de monture, gros et menus bestiaux.

Bij de behandeling van art. 459 werd in de Tweede Kamer de vraag gesteld: wat is vee, behooren er bijv. varkens en paarden toe? En de Minister van justitie gaf toe aan den drang tot het afzonderlijk noemen van deze twee diersoorten nevens vee. Terecht echter zagen de Commissie van Rapporteurs en de Minister later in dat nu aanleiding gegeven was tot eene beperkte opvatting van art. 311, zoodat de ingevoegde woorden weder verwijderd werden. Men achtte dit te minder bezwaarlijk omdat op dit punt eene gevestigde jurisprudentie bestond.

Dit laatste is slechts ten deele waar, want daar de Code pénal nevens vee paarden en de daaraau gelijkgestelde dieren afzonderlijk noemde, kon over de vraag of deze tot het vee behooren geene jurisprudentie bestaan. Er werd dan ook voorgesteld eene bepaling te geven en de keuze te vestigen op die van de wet op het veeartsenijkundig staatstoezicht: de eenhoevige en de herkauwende dieren en de varkens.

Deze bepaling op zich zelve niet verwerpende, meende de Minister van justitie toch ze niet in de wet te moeten brengen omdat de interpretatie vrij moet blijven.

Alle de gegevene bepalingen komen nu hierin overeen dat zij omvatten die dieren waarvoor de weide bestemd is, die men niet in vrijheid laat loopen en die gewoonlijk, althans veelal, in de weide gehouden worden en er hun voedsel vinden.

Hierin zal de algemeene begripsbepaling gevonden moeten worden, en zij is alzoo in overeenstemming met de bedoeling van het wetsartikel dat beschermt hetgeen doorgaans in de weide gedreven wordt, daarentegen niet datgene wat er zijn natuurlijlt verblijf niet vindt.

En ofschoon de beteekenis van art. 311 op zich zelve niet beheerschen kan het begrip dat aan het woord vee in art. 459 gehecht moet worden, kan uit de geschiedenis van dit artikel worden afgeleid dat het zeker niet minder omvat dan art. 311, terwijl de gegevene bepaling wel geene ruimte openlaat voor uitbreiding van het begrip tot daaronder niet vallende dieren.

Nu de wet bepaaldelijk van weide en niet van veld spreekt, kan hier niet anders dan grasland bedoeld zijn, al komt het hier niet als bij art. 459 aan op bescherming van het weiland als zoodanig.

Gelijk vee is het gedierte waarvoor de weide bestemd is, zoo is weide het land dat voor gebruik door het vee strekt. Of het oogenblikkelijk daarvoor bestemd was, doet niet af; wordt het land feitelijk beweid dan is het weide. Aan den anderen kant is geene weide het

Sluiten