Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

land dat eene andere bestemming heeft en waarin vee alleen is gebracht omdat het buiten die bestemming oogenblikkelijk eenig voedsel oplevert, noch het land dat tegen zijne eigenlijke bestemming als tijdelijke bewaarplaats van vee gebruikt -wordt.

De uitdrukking „diefstal van vee uit de weide" is niet geheel zonder dubbelzinnigheid als niet alleen de verbinding van weide met diefstal, maar ook die van weide met vee toelatende, welke laatste zou kunnen leiden tot de gevolgtrekking dat voldoende was de diefstal van vee dat in eene weide behoort al was het ook reeds daaruit gerankt toen het gestolen werd, gelijk bijv. met „water uit de bron" aangeduid wordt water dat uit de bron gekomen isl), en aan de andere zijde het artikel niet toepasselijk zou zijn op vee dat gestolen is uit eene weide waar het niet tehuisbehoort maar toevallig gekomen is.

Het een en het ander zou onjuist zijn: hier wordt de plaats aangegeven waar het vee gestolen wordt; in art. 388 Code pénal wordt juister gezegd: diefstal in de weide van vee, maar er is geen spoor van de bedoeling om met de (minder juiste) uitdrukking van ons wetboek eenige wijziging in het bestaande recht te brengen.

Moet nu echter de weide ook afgesloten zijn ? Nu de wet niet onderscheidt en het woord weide niet noodzakelijk de gedachte aan afsluiting opwekt, moet deze vraag ontkennend beantwoord worden. Wel is waar is er feitelijk geen onderscheid tusschen diefstal van vee van eenen weg en van een stuk weiland van den weg niet afgescheiden , en had de wetgever misschien wel gedaan door van eene afgeslotene weide of iets dergelijks te spreken, maar nu hij dat niet doet mag de eisch van afsluiting niet gesteld worden.

2. In het tweede nummer worden voorvallen vermeld waarbij ten gevolge van teweeggebrachte ontsteltenis en verwarring een diefstal gemakkelijker gepleegd kan worden. Yoor de strafverzwaring is noodig dat de diefstal gepleegd is ter gelegenheid van die voorvallen; er behoeft niet juist van het aan brand blootgestelde of daaruit geredde gestolen te zijn, maar dan toch van goed dat wegens den brand onbewaakt of minder bewaakt is. De dader moet dan van het voorval gebruik gemaakt hebben om gemakkelijker te stelen; de woorden „ter gelegenheid van" wijzen op verband tusschen den diefstal en de ramp.

Dit verband wordt ook bepaald door de plaats van het misdrijf.

1) Polenaar en Heemskerk spreken in aanteekening 1 op art. 310 van „vee uit de weide".

noyon, Het Wctb. v. Strafr. III, 2e druk. 9

Sluiten