Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van huisrecht, moeten verstaan worden als hetgeen als woning in gebruik is.

De voorwaarde van verhoogde strafbaarheid is hier overigens dat (te dader zicli buiten weten of tegen den wil van den rechthebbende ter plaatse bevindt.

De verbinding van deze twee omstandigheden wijst aan dat de aanwezigheid met weten van den rechthebbende de verzwarende omstandigheid oplevert alleerr wanneer zij in strijd met zijnen wil is, maar dat de aanwezigheid buiten weten ze altijd oplevert ook al was daar verlof voor gegeven; die verlof heeft in eene woning te komen kan er toch zeer goed buiten weten van den rechthebbende zijn.

De dader moet zich in de woning, op liet erf bevinden; daartoe dient zijn lichaam er in zooverre te zijn dat zijne persoon er is, zoodat liet niet voldoende is dat hij er een gedeelte, bijv. eenen arm binnenbrengt l).

4. Yereenigde personen zijn zij die tot den diefstal samenwerken, het gezamenlijk plegen met een gezamenlijk opzet, al is het ook dat ieder een deel van de voorwerpen van den diefstal tot zich neemt, en al is het ook dat zij niet te zamen vooraf het plan er toe hebben gevormd. Toevallige gelijktijdige aanwezigheid kan hen echter niet tot vereenigde personen maken, zie aanteekening 23 op art. 138.

In onderscheidene artikelen van het wetboek komt als verzwarende omstandigheid vóór dat het feit door twee of meer vereenigde personen gepleegd wordt. Het gebruik van het woord plegen verbiedt blijkens de tegenstelling met begaan (zie aanteekening 10 op art. 37) de strafverzwaring toe te passen op het geval dat de een dader, de ander medeplichtige is.

In art. 311 40 is alleen sprake van diefstal door vereenigde personen (zonder bezigen van het woord plegen), en men kan vragen of hieruit a contrario besloten mag worden dat ook dader en medeplichtige vereenigde personen zijn. Ik beantwoord die vraag ontkennend. Men heeft hier eenvoudig eene verkorte zegswijze, aan welker gebruik geene bedoeling tot het stellen van eenen bijzonderen eiscli voor de strafverzwaring ten grondslag ligt. Vooral komt dit uit bij vergelijking van art. 311 met art. 312 tweede lid, waar voor een in dit opzicht volkomen gelijk geval wordt gesproken van een feit, gepleegd door vereenigde personen

1) Gerechtshof Amsterdam 12 Februari 1889, Wbl. 5711.

2) Anders de Casembroot t. a. p. bladz. 47, die echter juist aan art. 312 geene aandacht schenkt.

9'

Sluiten