Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Omtrent de sub 5° genoemde verzwarende omstandigheid geldt hetgeen gezegd werd bij art. 202.

De verzwarende omstandigheid is alleen aanwezig wanneer de braak, de verbreking enz. door den dader zijn aangewend tot het verschaffen van toegang tot de plaats des misdrijfs of het onder bereik brengen van liet goed. Ten aanzien van het laatste moet in het oog worden gehouden dat dus niet onder braak of verbreking valt het afbreken, uitbreken van het voorwerp zelf. Dit toch is niet het middel om het goed onder bereik te brengen maar om het weg te nemen; wanneer iemand een horloge steelt door het aan een ander te ontrukken en daarbij den ketting waaraan het bevestigd was te breken, zijn de verbreking en de wegneming éen; er staat dan ook „door middel van braak enz. onder bereik brengen van het weg te nemen goed" zoodat de braak aan de wegneming moet voorafgaan, gelijk uitdrukkelijk geconstateerd werd door den Minister van justitie, toen hij bezwaar maakte „weg te nemen goed" te vervangen door: weggenomen goed!).

Hetzelfde geldt trouwens van het misdrijf van art. 198 en 200; bij art. 199 en 201 kan het breken van het voorwerp zelf niet, althans niet licht voorkomen.

Bij diefstal doet zich de vraag nog vóór wat rechtens is indien eenig voorwerp met zijnen inhoud wordt weggenomen. Iemand neemt weg eene geslotene bus met geld, en breekt later de bus open om bij het geld te komen, is dan die verbreking nog de hier bedoelde verzwarende omstandigheid? Neen, want de diefstal was reeds voltooid door de wegneming van de bus. De latere braak strekte niet om het geld onder bereik te brengen opdat het zou kunnen worden weggenomen ; zij strekte alleen om den dader beschikking te geven over den inhoud dien hij reeds onder zijn bereik had. Was de medegenomene bus zelve ook voorwerp van diefstal, dan werd het gestolene verbroken ; was zij het niet, dan was toch het voorwerp van den diefstal reeds weggenomen 2).

Deze oplossing schijnt mij de eenig mogelijke, al brengt zij mede dat hij die de bus verbreekt maar niet aan den eigenaar onttrekt diefstal onder eene verzwarende omstandigheid pleegt, en hij die het meerdere doet door de bus mede weg te nemen slechts schuldig is aan eenvoudigen diefstal.

Zie voorts over inklimming art. 89, valsche sleutels art. 90, valsche order aanteekening 6 op art. 138, valsch kostuum aanteekening 7,

'j Smidt II, eerste druk 479, tweede druk 503. Zie Hooge Raad 27 Januari 1896, Wbl. 6770, P. v. J. 1890, no. 15.

2) Anders Rechtbank Maastricht 20 Augustus 1888, Wbl. 6550.

Sluiten