Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of vruchtbaar te maken; wanneer de diefstal mocht strekken tot bevordering of bedekking van een ander feit verliest hij dus zijn verzwaard karakter en kan er enkel sprake zijn van gewonen samenloop.

Terwijl voorts art. 288 elk strafbaar feit als verzwarend noemt, beperkt art. 312 de verzwaring van den diefstal tot het geval dat er geweld of bedreiging met geweld tegen personen bij komt, welk feit op zich zelf niet bepaaldelijk een strafbaar feit behoeft te zijn.

Het verband tussehen beide feiten behoeft niet in elk geval zoo nauw te zijn als bij doodslag; daar toch geldt het eene oogenblikkelijke opwelling in verband met het vergezellende feit, en zou eene levensrooving, lang te voren gepleegd in verband met een later uit te voeren strafbaar feit, moord, geen doodslag zijn (zie aanteekening 1 op art. 288). Vermits echter het bestaan van voorbedachten raad geene den diefstal qualificeerende omstandigheid is, sluit eene zekere tijdsruimte tussehen het geweld en den opvolgenden diefstal de toepassing van art. 312 niet uit mits het slechts ten behoeve van den diefstal wordt aangewend. In het bijzonder bij bedreiging zou een aanmerkelijk tijdsverschil kunnen voorkomen.

Daarentegen moet, wanneer de diefstal voorafgaat, het geweld of de bedreiging evenals bij doodslag het strafbare feit zoo spoedig volgen dat bij betrapping op heeter daad de dader het inzicht kan hebben de vlucht of het bezit van het gestolene mogelijk te maken. Het geweld of de bedreiging moet alzoo het onmiddellijke gevolg zijn van de betrapping i) die er wel niet door ongedaan gemaakt kan worden (van daar dat niet het verzekeren van straffeloosheid hier in aanmerking komt) maar waaraan de gevolgen, voor zoover die bestaan in het vatten van de daders of het afnemen van het gestolene, worden ontnomen. Valt het geweld of de bedreiging buiten deze grens, dan is er gewone samenloop.

Ook hier geldt het vereischte dat de pleger van het geweld of de bedreiging steeds ook deelnemer aan den diefstal is (zie aanteekening 1 op art. 288) al is het in omgekeerde verhouding daar hier het bijkomende geweld den diefstal, ginds de doodslag het bijkomende strafbare feit bevordert.

2. Het tweede lid bepaalt verzwaring van straf in geval van aanwezigheid van omstandigheden ongeveer van gelijken aard als die welke in art. 311 sub 30 en 5° genoemd worden. De wetgever heeft

!) Betrapping, zie aanteekening 1 op art. 288.

Het wijzigingsontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900) heeft: ontdekking, echter niet in art. 288.

Sluiten