Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit artikel is ook toepasselijk op het misdrijf, omschreven in art.

314, gepleegd met geweld of bedreiging met geweld tegen personen;

zie aanteekening 1 op art. 314.

Artikel 314.

Hij die, zonder geweld of bedreiging met geweld tegen personen, geheel of ten deele aan een ander toebehoorende klei, bagger, ongesneden veen, zand, aarde, grind, puin, mestspeciën, zoden, plaggen, heide, helm, wier, riet, biezen, mos, onbewerkt en niet vervoerd hak- of sprokkelhout, ongeplukte of afgevallen boomvruchten of bladeren, te veld staand gras of te veld staande of na den oogst achtergebleven veldvruchten wegneemt, met het oogmerk om zich die voorwerpen wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan strooperij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste zestig gulden.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden.

1. Bij dit artikel wordt afzonderlijk een misdrijf strafbaar gesteld dat alle kenmerken van diefstal heeft maar den naam strooperij draagt, daar men hen die zich er aan schuldig maken niet bij de dieven wilde inlijven. Men is volgens de Memorie van toelichting, sedert dit feit, veelal in het opene veld en uit nooddruft gepleegd, ingevolge de wetten van 29 Juni 1854, Stbl. no. 102 en 103, onder eene lichtere strafbepaling viel en door den kantonrechter berecht werd, er aan gewoon geraakt het te beschouwen niet als eigenlijken diefstal, maar als eene wel strafbare maar minder gevaarlijke inbreuk op het recht des eigenaars; en de Minister van justitie verklaarde nader in het Regeeringsant woord dat het feit, hoewel naar strikt recht diefstal, door het volk wordt beschouwd niet als inbreuk op het eigendomsrecht maar als inbreuk op het occupatierecht, en dat het veelal gepleegd wordt door personen die den afkeer van diefstal nog te overwinnen hebben.

Indien men van een en ander werkelijk doordrongen was, had men wel in de eerste plaats het misdrijf zoo dienen te omschrijven dat

Sluiten