Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1854, Stbl. 102, was het eene vraag of diefstal van de daar genoemde goederen altijd onder dat artikel viel, onverschillig waar zij zich bevonden, dan wel alleen wanneer het een veld- of bosch-diefstal was. Bij herhaling besliste de Hooge Raad in laatstgenoemden zin, in het bijzonder met betrekking tot hout*); bij een arrest van 3 November 1863 echter werd, toen er sprake was van plaggen die bijeenverzameld en op eenen hoop gebracht waren, uitgemaakt dat de eenige voorwaarde voor toepassing van art. 18, met uitsluiting der toepasselijkheid van art. 401 Code pénal, gelegen was in den aard van het voorwerp -).

Het komt mij vóór dat de eerste beslissingen overeenkomstig de bedoeling van den wetgever van 1854 waren. Deze was toch niet diefstal van geringe voorwerpen lichter te straffen; dan had hij toch öf eene veel langere lijst moeten geven óf, beter, eene maximumwaarde als grens moeten stellen. Het was veel meer de aard van den diefstal in verband met den aard van het object die hier besliste.

Zoo werd de beteekenis ook opgevat in de Memorie van toelichting van het wetboek, en in den geest daarvan werd art. 314 opgesteld, zie aanteekening 1. Men wenschte ook voortaan als strooperij te straffen het wegnemen van voorwerpen die in den eigenaardigen toestand verkeeren dat zij wel iemands eigendom zijn maar dat de eigenaar er nog geene daad van eigendom aan verricht heeft. Als type van strooperij mag wel dienst doen de wegneming van te veld staande vruchten: eigendom, zonder dat de eigenaar er nog eenig recht aan heeft uitgeoefend 3).

In welken toestand is dan nu goed waaraan wel eigendomsdaden (snijden, bewerken, vervoeren) zijn verricht, doch niet door den eigenaar maar door een ander, bijv. den oorspronkelijke]] dief? Naar de letter der wet blijft het bewerkt of vervoerd; daarenboven heeft het voor den wegnemer niet het uiterlijke aanzien van onbe-

*) Schooneveld, no. 1 op art. 18.

2) Wbl. 2548. Later schijnt de Hooge Raad die opvatting weder te hebben laten varen. Beslissende, dat biezen, gesneden en in bossen te droogen gezet, niet uitmaakten oogst te velde (art. 16) blijkbaar omdat art. 18 ook gesnedene biezen omvatte, stelde hij toch de voorwaarde dat zij nog moesten zijn ter plaatse waar zij gesneden waren; arrest van 21 Maart 1881, Wbl. 4634.

3) In het Kamerverslag, Smidt II, eerste druk 487, tweede druk 512, wordt hier ten onrechte gezegd dat nog geene eigenlijk gezegde daad van toeeigening door den rechthebbende is verricht. Toeëigening is de daad van hem die nog geen eigenaar was; hier is echter reeds een eigenaar, en strooperij is evenzeer als diefstal een misdrijf tegen den eigendom.

Sluiten