Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„indien de dader" in plaats van: „indien een dader". Zooals liet artikel nu luidt, schijnt het of er alleen sprake is van het geval dat er slechts éen dader, éen medeplichtige is. De uitsluiting der vervolging tegen „dien" dader en „dien" medeplichtige geeft echter den zin aan waarin het artikel moet worden opgevat.

Het eerste lid van art. 316 wordt trouwens beheerscht door de bepaling van art. 50.

Meer aanleiding tot uitlegging in den niet bedoelden geest geeft nog het tweede lid waarbij art. 50 niet te pas komt. Indien hij, d. i. de dader of de medeplichtige, de van tafel en bed of van goederen gescheidene echtgenoot of een bloed- of aan-verwant in den opgenoemden graad is, heeft de vervolging voor zooveel hem betreft niet plaats dan op klachte; dit beteekent strikt genomen niet anders dan dat de dader kan vervolgd worden ook al is er geene klacht tegen den in betrekking tot den bestolene staanden medeplichtige gedaan, en omgekeerd. De Memorie van toelichting zegt intusschen. „Het „ontwerp wil de strafvervolging alleen zien uitgesloten tegen den dader „of den medepligtige die de echtgenoot is van hem tegen wien het „misdrijf gepleegd is", en dit wordt ook toegepast op de vervolging uitsluitend op klacht, zonder dat door eenige uitdrukking wordt aangewezen dat alleen het geval is bedoeld dat er slechts een dader, éen medeplichtige zou zijn, waartoe ook inderdaad geene aanleiding zou bestaan.

2. De betrekking die de strafbaarheid of de vervolgbaarheid uitsluit moet bestaan tusschen den dader of den medeplichtige en hem tegen wien het misdrijf is gepleegd.

Bij diefstal en strooperij kan daarvoor alleen in aanmerking komen de eigenaar van het ontvreemde, niet degene die overigens op liet ontvreemde eenig recht kan doen gelden of daarvoor aansprakelijk is. Het oogmerk tot wederrechtelijke toeëigening wijst hier de getroffene persoon aan. Zóo is diefstal van goed dat tot eenen faillieten boedel behoort niet gepleegd tegen de gezamenlijke schuldeischers maar tegen den gefailleerde wiens eigendom het goed, dat slechts aan een algemeen beslag is onderworpen, gebleven is 1).

Doch het misdrijf kan gepaard gaan met geweld of bedreiging met geweld tegen andere personen dan den eigenaar, met schending \an eens anders huisrecht, met verbreking of braak van den eigendom van een ander, die niet de bestolene is. De zaak verandert daardoor

1) Vgi. Rechtbank Breda 13 Maart 1890, Tijdschrift voor strafrecht VI, bladz. 89.

Sluiten