Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Of iets bevoordeeling is, zal in het algemeen daarvan afhangen of de dader zich er mede in eene betere conditie brengt. Wie dwingt tot afgifte van eenig goed tegen contante betaling van den vollen prijs bevoordeelt zich zeiven niet; wie daarentegen slechts het voornemen heeft tot latere schadeloosstelling, bevoordeelt zich wel daar reeds het tijdelijke gemis van het goed een nadeel, het tijdelijke bezit zonder aeqnivalent een voordeel is. De Hooge Raad ging in dit opzicht m. i. niet ver genoeg toen hij besliste met betrekking tot het misdrijf van oplichting, dat zulk een voornemen liet vereischte oogmerk niet onvoorwaardelijk uitsluit i). Ik zou zeggen: het onvoorwaardelijk insluit.

2. Bevoordeeling is voorts niet beperkt tot verkrijging van eigendom of bevrijding van schuld, noch ook tot het verkrijgen van gebruik of genot van eene bepaalde zaak: elk voordeel dat aan de afgedwongene handeling verbonden of daarvan het gevolg is komt in aanmerking.

3. Daar de wet zich niet uitlaat over de wijze waarop het voordeel verkregen moet worden, doet het niet af op welke wijze de dader zich de verkrijging voorstelde en de bevoordeeling verkregen kan worden, dus ook niet of dit direct of indirect zou zijn -).

4. Het oogmerk kan gericht zijn op bevoordeeling van den dader of van een ander. Wanneer nu twee personen aan het misdrijf deelnemen, hetzij beide als materieele daders, hetzij als dader en uitlokker, hetzij als dader en medeplichtige, dan bestaat het misdrijf voor beide, ook al is het oogmerk van den eersten eigene bevoordeeling, dat van den tweeden de bevoordeeling van den ander; men mag niet aannemen dat er voor ieder een verschillend (of voor éen hunner geen) misdrijf is, omdat zij onderscheiden standpunt tegenover de beoogde bevoordeeling innemen; dezelfde bevoordeeling ligt toch in beider oogmerk.

5. Het materieele element van het misdrijf ligt in den dwang; zie aanteekening' 1 op art. 179.

6. Het middel is geweld of bedreiging met geweld tegen personen; zie aanteekening 6 op art. 81; over bedreiging in liet bijzonder aanteekening 5 op art. 95.

7. Een kenmerkend verschil tusschen afpersing en diefstal, welke

1) Arrest van 3 Mei 1897, Wbl. 096(5, P. v. J. 1897, no. 47. Vgl. Rechtbank Amsterdam 31 Januari 1902, 1'. v. J. 1902, no. 199.

2) Hooge Raad 13 Oetober 1902, Wbl. 7814, P. v. J. 1902, no. 191.

Sluiten