Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TITEL XXIV.

VERDUISTERING.

Artikel 321.

Hij die opzettelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeeigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste zestig gulden.

1. Terwijl diefstal is het onder zich brengen van eenig goed met oogmerk tot wederrechtelijke toeëigening, is verduistering de wederrechtelijke toeëigening van hetgeen men reeds onder zich heeft.

Voor de handeling die het misdrijf oplevert heeft de wetgever den naam van toeëigening' gekozen, die eigenlijk de naam is van een begrip waaronder allerlei handelingen kunnen vallen, de hier bedoelde toeëigening is eene andere dan die van het burgerlijk recht, de handeling waardoor wettig de eigendom wordt verkregen van hetgeen vroeger geenen eigenaar had. Hier is juist altijd sprake van de onrechtmatige handeling aan goed dat reeds eens anders eigendom is.

Als omschrijving van toeëigening bezigde de Minister van justitie het ais heer en meester beschikken, en elders het zich als eigenaar gedragen i). Beide omschrijvingen komen mij min juist voor. In de eerste plaats drukken zij meer het gevolg van toeëigening uit, het bewijs dat men zich toegeëigend heeft, in de tweede plaats passen zij op handelingen die geene verduistering opleveren; wie toch eens anders goed vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt, wegmaakt, beschikt voorzeker over dat goed alsof hij er heer en meester van was, gedraagt zich als eigenaar daar toch de eigenaar alleen het recht heeft op die wijze met zijn goed te handelen, en toch valt zijne daad niet onder art. 321 maar onder art. 350. Bij verduistering en vernieling beide wordt inbreuk op eens anders eigendom gemaakt, het verschil tusschen deze twee is dat bij de laatste de eigenaar alleen

') Smult II, eerste druk 467 en 408, tweede druk 491 en 493.

Sluiten