Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

April 18901) werd de vraag in ontkennende!) zin beantwoord vermits in deze handelingen nog geene beschikking over het goed opgesloten ligt in strijd met den aard van het recht krachtens hetwelk de dader het onder zich heeft. Bij een later arrest 2) daarentegen werd beslist dat hij die goederen koopt van iemand die ze onder zich heeft zich schuldig maakt aan heling, en niet medewerkt tot de verduistering, daar deze reeds voltooid was uiterlijk op het oogenblik waarop de houder over het goed beschikte door het te koop aan te bieden. Mij komt de eerste beslissing de juiste vóór: de handeling wijst nog slechts het bestaan van een voornemen tot toeëigening' aan. verandert niets aan de betrekking van den eigenaar tot het goed evenmin als dat doen zou de enkele uitlating dat men niet voornemens is het goed aan den eigenaar terug te geven 3). Eerst wanneer werkelijk eene daad verricht wordt waardoor de rechtstoestand van het goed verandert, waardoor de dader haar als eigenaar behandelt, kan van toeëigening sprake zijn. Zulk eene daad ligt wel in den verkoop, ook al is die nog niet door levering gevolgd; de dader behoeft toch het goed niet buiten zijn eigen bezit gebracht te hebben 4).

Toeëigening is altijd eene daad en is alzoo niet aanwezig bij het enkele feit dat eenig goed niet opgeleverd of verantwoord is. Niet dat het goed niet aanwezig is maar dat diegene die het onder zich had het zich toegeëigend, tot het zijne gemaakt heeft, moet bewezen worden.

Zulk eene daad ligt nu weder niet in eene onjuiste boeking, die op zich zelve het geld niet van eigenaar kan doen veranderen 5).

2. De toeëigening moet wederrechtelijk gedaan zijn, d. i. met krenking van eens anders recht. De beslissing omtrent de wederrechtelijkheid zal bij verduistering wel altijd bepaald worden door eene

1) Wbl. 587J, P. v. J. 1890, no. 61; zie hierover van Iltersum in Tijdschrift voor strafrecht V, bladz. 340. Zie Rechtbank Amsterdam 19 September 1902, Wbl. 7877, P. v. J. 1903, no. 206.

2) Arrest van 10 Juni 18)3, Wbl. 6364, P. v. J. 1893, no. 62.

3) Ik kan mij daarom ook niet vereenigen met de uitspraak der Rechtbank te Groningen van 20 Juni 1892, Wbl. 6267, volgens welke toeëigening reeds gelegen zou zijn in de daad van hem die, belast met de bezorging van een pakket met waarde ten postkantore, het onder zich houdt met het voornemen zich er mede te verwijderen, doch dit voornemen opgeeft en daarentegen van zins wordt het pakket aan den eigenaar terug te geven.

4) Hooge Raad 17 December 1900, Wbl. 7539, P. v. J. 1901, no. 11; vgl. Hooge Raad 15 April 1901, Wbl. 7598, P. v. J. 1901, no. 55.

5) Anders Rechtbank Almelo 27 December 1898, P. v. J. 1899, no. 20.

Sluiten