Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze beslissing schijnt mij onjuist. Er was verkocht; deverkooper, hoewel niet verplicht te leveren zonder betaling, geeft het goed over, wel niet met de bedoeling dat het onbetaald zal blijven, maar toch zonder eenige reserve, zonder eenigszins te kennen te geven dat deze overgifte geene levering is; wat kan zij dan anders dan levering zijn? Yan eene voorloopige terhandstelling, stilzwijgend bedoeld, kan geene sprake zijn wanneer ten gevolge van den verkoop overgegeven wordt. Nu mag het vertrouwen des verkoopers verschalkt zijn, juist het bestaan van dat vertrouwen bewijst dat de verkooper zijn recht van terughouding tot aan de betaling heeft prijs gegeven.

In eene dergelijke zaak i) betoogde de Advocaat generaal Patijn dat weliswaar overdracht van verkocht goed in de macht des koopers levering is, maai' dat dit uitzondering lijdt wanneer bepaald of stilzwijgend overeengekomen is dat de levering eerst dan geacht zal zijn te hebben plaats gehad wanneer de koopprijs betaald is. Maar in den enkelen verkoop a contant ligt zulk eene overeenkomst over hetgeen als levering beschouwd zal worden geenszins opgesloten.

In de bedoelde zaak gaf de beslissing, dat de overeenkomst was aangegaan onder beding dat de kooper zou betalen alvorens er zou worden geleverd, den Hoogen Raad aanleiding het beroep in cassatie te verwerpen omdat die beslissing van zuiver feitelijken aard was. Maar doet zij dan iets af tot de vraag of geleverd was? Uit haar volgt wederom alleen dat de verkooper niet had behoeven te leveren, maar geenszins dat zijne afgifte geene levering was.

Voor het overige zal het veelal eene feitelijke vraag zijn of eenige handeling medebrengt dat de verkooper het verkochte zoozeer buiten eigene beschikking stelt dat het als geleverd beschouwd kan worden. Het verkochte neerzetten bij den kooper die blijft vertoeven bijv. behoeft geenszins als levering te worden aangemerkt 2).

Eene tweede veelbesprokene vraag is of geldsommen verduisterd kunnen worden, m. a. w. of de overgifte daarvan onder alle omstandigheden overgang van eigendom medebrengt3). Zóo algemeen gesteld kan zij zeker niet bevestigend beantwoord worden; de overeenkomst die tot de overgifte aanleiding geeft is ten deze beslissend, en meer in het bijzonder is dan ook het geval behandeld van bewaargeving

!) Zie Hooge Raad 11 Januari 1897, Wbl. 6917, P. v. J. 1897, no. 13.

2) Vgl. Rechtbank 'sGravenhage 9 April 1896, Wbl. 0823, P. v. J. 1890, no. 47; Rechtbank Amsterdam 24 Januari 1902, P. v. J. 1902, no. 197.

3) Dat geldsommen behooren tot „eenig goed" waarvan dit artikel spreekt, besliste de Hooge Raad bij arrest van 14 Mei 1900, Wbl. 7457, P. v. J. 1900, no. 73.

Sluiten