Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en lastgeving, de contracten waarbij zich het meest de gelegenheid tot gebruik van het toevertrouwde ten eigenen bate voordoet.

In het algemeen kan het den eigenaar van eene vervangbare zaak onverschillig zijn of hij het eene of het andere exemplaar bezit; leen ik een boek uit of geef ik het in bewaring of ter overbrenging aan een ander dan raakt het — bijzondere omstandigheden voorbehouden — mijn belang niet of hetzelfde of een ander exemplaar wordt teruggegeven of overgebracht; draag ik iemand het vervoer van eenen zak zout op dan behoeft bij uitleveren van eenen anderen zak niet die waar, indien zij volkomen dezelfde hoedanigheid heeft, geen belang betrokken te zijn. In het bijzonder doet zich dit vóór bij geld, van daar dat niemand liet bewijs verlangt dat het uitgeleverde ook juist het toevertrouwde is, en men zich tevreden stelt met uitlevering van een gelijk bedrag. Maar deze omstandigheid raakt niet het recht tot vorderen van uitlevering van de toevertrouwde zaak zelve en de daaraan correspondeerende verplichting !).

Daarom is het onjuist2) den bewaargever of den lastgever de bedoeling toe te schrijven dat de ontvanger over het toevertrouwde als eigenaar zal mogen beschikken; wanneer deze het ten eigenen bate bezigt dan doet zijn medecontractant, daarop geene aanmerking makende, niet anders dan zich tevreden stellen met de schadeloosstelling, gelegen in de vervanging van hetgeen waaromtrent hij het recht had te vorderen dat het tot zijne bestemming gebracht was.

En indien de uitgever al het recht tot vervanging gegeven had dan zou dat recht toch zeer zeker beperkt zijn tot liet enkele verruilen, niet uitgebreid tot een wegmaken waarop wellicht later eene vervanging zou volgen. Van het geven van volstrekte beschikking kan geene sprake zijn, en alleen dit zou kunnen opleveren overdracht van eigendom 3).

Op dezen algemeenen rechtsregel zou intusschen uitzondering kunnen gemaakt zijn bij bijzondere wetsbepaling. Als zoodanig is voor bewaargeving ingeroepen het tweede lid van art. 1751 Burgerlijk wetboek waaruit men heeft willen afleiden dat in het bijzonder voor geld de bevoegdheid tot eigen gebruik zou gegeven zijn. Hij die geld in

1) Het onderscheid tusschen recht en belang wordt m. i. niet in het oog gehouden door het Gerechtshof te Leeuwarden dat in een arrest van 25 Februari 1897, Wbl. G9G3, de bevoegdheid toekent tot uitbetaling in andere speciën dan die daartoe bestemd waren.

2) Gelijk rar. D. Simons doet in Tijdschrift voor strafrecht III, bladz. 289 en volg.

3) p. F. Besier in Tijdschrift voor strafrecht IV, bladz. 305 en volg.; vgl. van Ittersum in Tijdschrift voor strafrecht V, bladz. 332 en volg., en Rechtbank Roermond 22 Februari 1898, P. v. J. 1898, no. 52.

Sluiten