Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 322.

Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijne persoonlijke dienstbetrekking of' van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding onder zicli heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

1. De wenschelijkheid van strafverz waring uit hoofde van het bijzondere vertrouwen, dat in het maatschappelijke verkeer in sommige personen die een bepaald beroep uitoefenen noodzakelijk gesteld moet -worden, gaf naar luid der Memorie van toelichting aanleiding tot de bepaling van dit artikel, dat in zijnen oorspronkelijken vorm minder omvattend was dan in den lateren, en dan ook niets dan verduistering in bepaaldelijk genoemde beroepen behandelde.

De limitatieve opsomming kon niet de goedkeuring verwerven van de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer, die liever den rechtsgrond der verzwaring ook in het artikel uitgedrukt zag en gesproken wensehte te zien van goed dat de dader uit hoofde van zijne betrekking tot den benadeelde of van zijn beroep of wel tegen betaling van loon onder zich heeft.

De Minister van justitie gaf in beginsel aan het verlangen der Commissie toe, maar had bezwaar tegen de uitdrukking „uit hoofde zijner betrekking" als veel te ruim, omdat men aan iemand tot wien men in geenerlei betrekking staat niets toevertrouwt. Dientengevolge werd nu gesproken van persoonlijke dienstbetrekking.

Daardoor zijn de grenzen van het artikel echter veel nauwer getrokken dan de Commissie van Rapporteurs — ook al zou zij het bezwaar van den Minister beaamd hebben — bedoelde. Wanneer toch van iemands persoonlijke dienstbetrekking gesproken wordt kan slechts bedoeld zijn de betrekking van dienaar waarin hij tot een ander staat: niet de meester staat in persoonlijke dienstbetrekking tot zijnen dienaar, wel omgekeerd. Het artikel is alzoo alleen toepasselijk op den ondergeschikte, niet op den meester tegenover hem, niet dus op den fabrikant die krachtens aan de fabriek geldende regelen een fonds zijner werklieden beheert. Daarmede is echter niet gezegd dat juist de benadeelde de meester behoeft te zijn van hem die zich het goed toeeigent; het geval kan tot zekere hoogte zelfs omgekeerd zijn. De opzichter eener fabriek kan als zoodanig onder zich hebben goederen van onder hem staande werklieden en die toch onder zich hebben in persoonlijke dienstbetrekking tot zijnen meester, den fabrikant.

In hoeverre iemand overigens als directeur eener inrichting, als

Sluiten