Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

penningmeester eener vereeniging, in dienstbetrekking tot haar staat, is eene geheel feitelijke vraag1).

Voorts is het artikel niet toepasselijk op hen die tot een ander in eene betrekking staan die met dienst niets te maken heeft, alzoo bijv. niet op den onderwijzer die zich belast heeft met liet beheer van een schoolspaarfonds.

2. De wet eischt niet dat er persoonlijke dienstbetrekking bestaat t'Tisschen hem die het goed ontvangen heeft en dengene die het in zijne handen heeft gesteld; genoeg is het dat het goed ook zonder tnsschenkomst van den meester in handen van den dienaar is gesteld, indien dit inaar is geschied in en om zijne hoedanigheid van dienaar van zijnen meester.

3. Over de beteekenis van beroep zie aanteekening 25 op art. 28—31.

Uit hoofde van het beroep heeft men eenig goed onder zich wanneer men het gekregen heeft om er iets mede te doen dat liet beroep medebrengt of wanneer het in ontvangst nemen eene aan het beroep eigene handeling is. Ten aanzien van het laatste besliste de Rechtbank te Amsterdam 2) terecht dat een deurwaarder, die eenvoudig sommeert tot betaling zonder meer en dientengevolge later de betaling voor zijnen lastgever ontvangt, daarom nog niet in zijn beroep het ontvangene onder zich heeft. Het tegendeel zou echter waar zijn in geval de deurwaarder sommeerde tot betaling aan hem deurwaarder om bij gebreke daarvan tevens te dagvaarden; dan toch wees de in zijn beroep gedane handeling hem aan als ontvanger van het geld, en ook het in ontvangst nemen was dan eene beroepsdaad.

De wet heeft nevens het beroep niet het ambt genoemd. Verduistering door eenen ambtenaar is strafbaar óf volgens art. 359 of art. 301, of volgens art. 321, eventueel met toepassing van art. 44.

4. Het derde geval van het artikel is dat waarin de dader het goed tegen geldelijke vergoeding onder zich heeft. Bij den oorspronkelijken tekst, alsook bij het voorstel tot wijziging zooals het dooide Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer was geformuleerd, was meer het oog geslagen op betaling van loon. Het blijkt niet waarom de Minister van justitie andere woorden heeft -gekozen, dus ook niet dat hij zakelijk iets anders bedoeld heeft, maar de

1) Vgl. Hoog Militair Gerechtshof 18 Januari 1880, Tijdschrift voor strafrecht VI, bladz. 493.

2) Vonnis van 24 Januari 1890, Wbl. 5923.

Sluiten