Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nieuwe tekst is vatbaar voor eene veel ruimere uitlegging clan de oorspronkelijke bedoeling medebrengt. Die bedoeling was te treffen hen die aan het goed, door het onder zich te hebben, iets verdienen. De woorden laten echter thans ook toe hen te treffen die voor hetgeen zij onder zich hebben iets betalen. De huurder toch heeft het gehuurde tegen geldelijke vergoeding onder zich, betaling van den huurprijs staat even goed tegenover het genot van liet gehuurde als betaling van loon staat tegenover arbeid aan of zorg voor eenig goed; en „tegen geldelijke vergoeding" kan even goed beteekenen tegen genot, als tegen betaling van vergoeding.

De ruimste opvatting is trouwens niet tegen den geest der bepaling. Wel werd in de Memorie van toelichting gesproken van hen in wie uit hoofde van hun beroep vertrouwen gesteld moet worden, doch die beperking heeft men door de opneming van persoonlijke dienstbetrekking reeds laten varen. En dat de straf verzwaring verband zou houden met verdienste aan het goed was zelfs niet de grondgedachte van het oorspronkelijke artikel waarin toch ook o. a. commissarissen van vereenigingen worden genoemd in betrekking tot goed aan de vereenigingen toevertrouwd, waarbij belooning van hen of van de vereeniging geen element van het misdrijf is. Huurders behooren overigens zeker tot hen in wie een noodzakelijk vertrouwen moet gesteld worden. Er is dus niets dat aan de ruimste uitlegging deiwoorden in den weg staat.

Dit gedeelte van het artikel is overigens beperkt tot het geval van geldelijke vergoeding, met uitsluiting dus van elke vergoeding in anderen vorm l).

5. Evenals tnsschen de persoonlijke dienstbetrekking of het beroep en het feit dat men het goed onder zich heeft een rechtstreeksch verband moet bestaan, moet ook de geldelijke vergoeding gegeven worden ter zake van het onder zich hebben. Evenmin dus als de onderwijzer gezegd kan worden in zijn beroep het schoolspaarfonds dat hij administreert onder zich te hebben, kan hij geacht worden het te hebben tegen geldelijke vergoeding omdat hij als onderwijzer eene bezoldiging geniet; die wordt hem toch niet gegeven voor de administratie.

6. Voor de bijkomende straf zie art. 325.

') Rechtbank 's Hertogenbosch (i December 1880, Tijdschrift voor strafrecht I, bladz. 569.

Sluiten