Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van eenen valschen, maar liet bedriegelijk gebruik maken van eenen echten naam, dat als zoodanig hier niet strafbaar wordt gesteld.

De tot dusverre gebezigde voorbeelden betreffen het geval dat de naam op zich zelf vertrouwen opwekt; het geval laat zich ook denken dat de valsche naam het beletsel opheft dat liet noemen van den waren naam zou opleveren. Ook daarbij kan oplichting zijn. Er behoeft, behalve dat aan A niet zou zijn afgegeven, geene positieve reden te bestaan waarom aan B wel gegeven is wat aan C of D niet gegeven zou zijn; niet welke, maar dat een valsche naam is genoemd, is hier beslissend l).

Art. 405 Code pénal spreekt van het gebruik maken van eenen valschen naam, ons art. 326 van het aannemen. Het blijkt niet dat met deze wijziging van woorden ook eene wijziging van beteekenis bedoeld is. Kan men nu zeggen dat aannemen eene bepaalde daad moet zijn van hem die den valschen naam voert, terwijl daaronder niet gelijk onder gebruik maken reeds valt het zicli laten aanleunen van eenen naam die door een ander wordt toegekend? Mij dunkt: neen, omdat hij, die zich ten gevolge van dwaling waarin buiten zijn toedoen iemand vervallen is eenen naam laat geven die de zijne niet is, toch ook gezegd moet worden dien naam aan te nemen, zoodra hij onder en krachtens dien naam optreedt-). Trouwens bij tegenovergestelde meening zou ook onder gebruik maken van eenen valschen naam alleen het zich zeiven geven van dien naam verstaan moeten worden, daar het zich laten aanleunen van eenen naam dan minder het gebruik maken van dien naam zoude zijn dan het gebruik maken van de omstandigheid dat een ander ten opzichte van den naam dwaalt. Voor aannemen is echter noodig dat er iets gedaan wordt tot onderhouden van de onjuiste meening omtrent den naam; de dader moet dus geweten hebben dat hem een andere dau zijn eigen naam werd toegekend, en van die wetenschap door eenige daad, hetzij dan eene positieve of eene negatieve, blijk hebben gegeven.

Overigens is het niet bepaald noodig dat de dader met zoovele woorden zegt hoe hij heet; het doen van mededeelingen waaruit moet worden afgeleid dat hij eenen zekeren naam voert is voldoende. Zoo besliste de Hooge Raad dat eenen valschen naam aanneemt hij die zich den zoon noemt van iemand die niet als zijn vader bekend staat, daar in het algemeen vader en zoon denzelfden naam dragen, en met

J) Vgl. Gerechtshof Amsterdam 31 Januari 1881, Rechtsgeleerd bijblad 1882, C bladz.

2) Anders Polenaar en Heemskerk, aanteekening 3.

Sluiten