Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het enkele uitzonderingsgeval dat mogelijk is geene rekening behoeft te worden gehouden i).

Ook behoeft het aannemen van eenen valschen naam niet te zijn het zich doen doorgaan voor een bepaald individu; ingeval een zekere geslachtsnaam of de naam van een bepaald familielid vertrouwen wekt is het voldoende dat het dragen van dien naam wordt opgegeven 2).

0. In het algemeen kan hetgeen iemand zich toeschrijft eene hoedanigheid genoemd worden. Maar liet zou niet aangaan iemand strafbaar te stellen aan wien een ander enkel omdat hij gezegd heeft dit of dat te zijn vertrouwen of krediet schenkt. Wanneer iemand in eenen winkel aanzienlijke inkoopen doet en daarvoor krediet erlangt alleen op zijn beweren dat hij bijv. de president der Fransche republiek is, dan heeft de aldus bedrogene geheel aan zich zeiven zijne schade te wijten.

Daarom is vooral ook hier van belang het vereischte dat er eene hoedanigheid is aangenomen; aannemen is niet alleen het zich toeschrijven van een attribuut, maar dit, gepaard met een optreden op eenige wijze die alleen door de voorgewende hoedanigheid gerechtvaardigd zou zijn, m. a. w. het zich toekennen van een attribuut krachtens hetwelk de dader, zoo hij het bezat, gerechtigd zou zijn op te treden gelijk hij deed.

Wanneer iemand voorgeeft eigenaar te zijn van een buitengoed of eene andere bezitting die hem kredietwaardig doet schijnen, dan zal hij alleen om dat voorgeven niet als oplichter beschouwd kunnen worden, al heeft het hem krediet verschaft. Maar hij die zich gedraagt als eigenaar van een gevonden voorwerp en dit als zoodanig in ontvangst neemt, wendt eene hoedanigheid voor die hem recht zou geven te handelen zooals hij handelde 3).

Evenzoo is het bijv. met het aannemen van de hoedanigheid van erfgenaam. Het enkele beweren erfgenaam van een rijk man te zijn is niet voldoende voor oplichting, evenmin als het voorwenden van de nog kredietwaardiger hoedanigheid van uit eigenen hoofde rijk te zijn; maar wel is oplichter hij die, zich erfgenaam noemende van eenen overledene, als zoodanig optreedt en zich gedraagt, en zich van goed tot de erfenis behoorende meester maakt. In dezen geest werd reeds onder vigueur van den Code pénal door den Hoogen Raad beslist: de

1) Hooge Raad 13 October 1902, Wbl. 7814, P. v. J. 1902, no. 191. Het wijzigingsontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900) noemt

ook het verzwijgen van eenen waren naam of eene ware hoedanigheid.

2) Hooge Raad als voren.

3) Gerechtshof Leeuwarden 2 Februari 1898, Wbl. 7285.

Sluiten