Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erfgenaam lcan zich goederen doen afgeven waartoe hij, zoo hij geen erfgenaam was, niet gerechtigd zou zijn i).

De oplichter moet dan ook in de hoedanigheid waarin hij optrad ontvangen hebben.

Dit is echter niet altijd de leer van den Hoogen Raad geweest; na liet zoo even genoemde arrest vinden wij dat van 27 Maart 1893, waarbij schuldig aan oplichting werd verklaard iemand die, voorgevende bediende bij zekere firma te zijn, alleen op dit voorgeven afgifte van goederen voor zich zeiven verkreeg 2).

Volgens dit arrest onderscheidt de wet niet of de voorgewende hoedanigheid is eene zoodanige waarin men bedriegelijk voor eenen derde optreedt (als lasthebber, agent, voogd, curator), of eene andere die men zich aanmatigt om een onverdiend vertrouwen op te wekken (koopman, ambtenaar niet met eenige ontvangst belast), en in het eerste geval of de afgifte is gevraagd en gevolgd in de voorgewende hoedanigheid en dus voor den derde.

Iemand zou dus oplichter kunnen zijn door afgifte te verkrijgen in eene andere hoedanigheid dan die hij aangenomen heeft om ze te verkrijgen; wat blijft er dan van het aannemen van de hoedanigheid over? En wanneer iemand zegt dat hij koopman is (het tweede geval) moet hij dan wel in de hoedanigheid van koopman ontvangen? Men vraagt te vergeefs naar de reden van deze tegenstelling 3).

De Hooge Raad heeft het hierbij ingenomene standpunt trouwens weder verlaten en bij arrest van 1 Februari 1897 4) het voorgeven van neef of logé van eene kredietwaardige persoon te zijn verklaard

*) Arrest van 28 Januari 1884, Wbl. 5025.

2) Wbl. 6327, P. v. J. 1893, no. 34.

3) In Wbl. 6327 verdedigt de Redactie het arrest, betoogende dat het de beginselen toepast die bij de vaststelling van den Code pénal op den voorgrond traden en ook voor ons Wetboek moeten gelden. De kracht van dit betoog schijnt mij te liggen in een paar voorbeelden, door leden van den C'onseil d'élat genoemd, maar zulke voorbeelden toonen niet meer aan dan eene individueele opvatting.

Het Hof van appèl te Brussel nam ook oplichting aan bij het zich voordoen als kredietwaardig koopman; dit wordt m. i. zelfs niet het aannemen van eene hoedanigheid als het gelijk in casu gepaard gaat met het gebruik van brieven met gedrukte hoofden, opgaven betreffende het kantoor, aanvrage van stalen en prijscouranten, bezigen van in den handel gebruikelijken stijl, opgave van referentiën en aanbod van betalen op wijze en tijd als het handelsgebruik medebrengt; dit alles zou meer wijzen op een samenweefsel van verdichtsels, dat de Belgische wet echter niet kent als middel tot oplichting. De beslissing is vermeld in Wbl. 7920.

4) Wbl. 6925, P. v. J. 1897, no. 23.

Sluiten