Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenvoudig te bezien om liet bedrog te ontdekken, en voor iemand die zich met opene oogen laat bedriegen is liet artikel niet geschrevenzie aanteekening 10. Daarom is het zelfs de vraag of het juist gezien' is eene dergelijke handeling strafbaar te stellen, en in zooverre is de verwijdering van de bepaling wellicht goed geweest.

Waarom in onze wet nu „bedriegelijk" door „listig" is vervangen, blijkt niet; mij komt die vervanging minder juist vóór daar „listig" meer de geheele handeling dan wel het aangewende middel bepaalt.

Ook thans znlleu onder kunstgrepen niet anders dan handelingen verstaan kunnen worden, al moeten zij om uitwerking te hebben gepaard gaan met valsche voorstellingen en dienen om aan deze den schijn van waarheid te verleenen J).

Voor de toepassing van art. 405 Code pénal werd reeds eene handeling vereischt, en van het begrip van listige kunstgrepen werden uitgesloten alle verdichtsels, hoe kunstig ook vereenigd en tot een geheel gemaakt. Juist om deze opvatting is in art. 32G het samenweefsel van verdichtsels, bedrog alleen door woorden, opgenomen 2); de manoeuvres frauduleuses alleen waren niet bij machte gebleken alle gevallen te omvatten waarin het belang der openbare orde bestraffing eischt.

Men zie nu in „listig" niet meer dan in „bedriegelijk", en eiselie er met iets buitengewoon behendigs of slims in. Ook het woord kunstgrepen, dat min of meer de gedachte opwekt aan iets als goochelen, worde niet te scherp opgevat; kunstgrepen zijn niet meer dan handelingen bestemd en geschikt om iemand te verschalken, handelingen, zooals de Minister van justitie zich uitdrukte, waardoor men aan leugen of vorm zoodanigen schijn of uiterlijk van waarheid of werkelijkheid geeft, dat iemand met gewone mate van omzichtigheid begaafd en die gewone mate van omzichtigheid [gebruikende de dupe kan worden 3).

Ofschoon ook in onze wet de meervoudsvorm is behouden, mag daaruit evenmin als voor den Code pénal worden afgeleid dat zij meer dan éen kunstgreep eischt. Zoodanige meervoudsvorm komt in liet wetboek herhaaldelijk vóór waar hij welstaanshalve de voorkeur

1) In het geval beslist bij het vonnis der Rechtbank te Alkmaar van G Februari 1804, Wbl. 6461, had geen listige kunstgreep, maar een samenweefsel van verdichtsels moeten zijn aangenomen.

2) Smidt II, eerste druk 519, tweede druk 551.

3) Smidt II, eerste druk 528, tweede druk 560.

Zoo het doen van Instellingen op naam eener firma die men niet gerechtigd is te voeren, met gebruikmaking van gedrukte formulieren van bestelbrieven dier firma; Ilooge Raad 2 Januari 1900, Wbl. 7384, P. v. J. 1900, no. 21.

12*

Sluiten