Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Oplichting is een gevolg van bedrog; intusschen wordt de éen spoediger bedrogen dan de ander. Daarom is wel gezegd dat er alleen dan oplichting is wanneer de aangewende middelen van dien aard zijn dat de normale mensch er door bedrogen kan worden. Deze regel lijdt echter aan de fout dat, in geval middelen die een normaal mensch niet zouden bedriegen aangewend worden, ook van oplichting geene sprake kan zijn al is degene tegen wien zij gebezigd werden er voor bezweken, m. a. w. dat een vrijbrief gegeven wordt voor bedrog van onnoozelen. De Hooge Raad heeft dan ook bij een arrest van 25 Januari 18841) beslist dat de wet niet meer eischt dan dat iemand in concreto bedrogen is. Dit wil echter niet zeggen dat hij die zich met opene oogen laat bedriegen zich wegens oplichting kan beklagen; er moet kunnen aangetoond worden dat het bedriegelijke middel in de bestaande omstandigheden voor de bepaalde persoon zoozeer den schijn van waarheid had dat de uitwerking van het bedrog verklaarbaar was.

Te recht wordt gezegd in de Memorie van toelichting op het Wetboek van strafrecht voor de Europeanen in Nederlandsch IndiS van 1898, bij den titel van Bedrog, bladz. 179: „Welke waarde men aan deze verklaring" (nl. dat de wet niet de lichtgeloovigheid en de onnoozelheid wil beschermen maar den bij zijne handelingen in het maatschappelijk verkeer nadenkenden mensch) „ook moge hechten, „zij kan in geen geval beteekenen dat de rechter die in elk concreet „geval de schuld van den beklaagde zal hebben te beoordeelen, daarbij „niet den algemeenen graad van ontwikkeling der klasse waartoe het „slachtoffer behoort, zou moeten onderzoeken, waardoor tevens de „graad van nadenken wordt bepaald, welke bij diens handelingen in „het maatschappelijk verkeer kan gevorderd worden." Ik ga echter nog eenen stap verder, en wil ook beschermd zien hem wiens persoonlijke ontwikkeling nu eenmaal niet toelaat dat hij het bedrog doorziet, maar met uitsluiting van hem die zijn verstand niet gebruikt.

11. Het ontwerp kende als speciaal misdrijf nevens oplichting nog, behalve het uitgeven van muntspeciën van geringere waarde dan waarvoor men ze in verband met eene verandering van het uiterlijke aanzien wil laten doorgaan, en het doen doorgaan voor muntspeciën van stukken die geeuen muntslag dragen (zie aanteekening 7), het aanwenden van listige kunstgrepen bij het spel.

Reeds onder vigueur van den Code pénal werd dit feit als oplichting beschouwd; de toelichting tot het ontwerp vermeldt geene reden

Wbl. 5025.

Sluiten