Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarom het hier afzonderlijk strafbaar werd gesteld; in de lichtere straf schijnt die reden gezocht te moeten worden, eene reden welker geldigheid door de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer niet kon worden erkend. De Minister van justitie liet nu het artikel vervallen maar gaf aanleiding tot eenigen twijfel omtrent zijn motief. Terwijl hij toch bij art. 361 van het ontwerp eenvoudig mededeelde dat dit verviel, ving hij de toelichting der nieuwe artikelen 331 en 332 aan met deze woorden: „Art. 361 oud, 331 en 332 nieuw. In „plaats van op de speeltafel vestige de wetgever overeenkomstig het „advies der Commissie zijne aandacht op onheilen als die van de „Taybrug" i). Die woorden geven eenige aanleiding tot de gevolgtrekking dat de wetgever, zijne aandacht van de speeltafel op de bedoelde rampen overbrengende, de strafbaarstelling van bedrog bij het spel liet varen. Toch kan dit de bedoeling niet geweest zijn, en er is ook niet weersproken dat dit bedrog oplichting kan opleveren en als zoodanig gestraft moet worden; de woorden van den Minister zullen beschouwd moeten worden als eene min gelukkige figuur die niet tot eenige gevolgtrekking aanleiding mag geven.

12. Blijkens art. 388 is op dit misdrijf art. 316 van toepassing. Derhalve moet de vraag beantwoord worden tegen wien het misdrijf gepleegd is.

Evenals bij art. 317 en 318 (zie aanteekening 4 op art. 318) is dit de persoon tegen wie de bedriegelijke middelen zijn aangewend, niet de eigenaar van het goed als zoodanig. Dit klemt hier te meer daar oplichting ook gepleegd kan worden door het bewegen tot afgifte van eigen goed des daders, en toeëigening of het oogmerk daartoe geen element van het misdrijf is.

13. Voor de bijkomende straf zie art. 339.

Artikel 327.

Hij die door listige kunstgrepen den verzekeraar in dwalingbrengt ten opzichte van omstandigheden tot de verzekering betrekking hebbende, zoodat deze eene overeenkomst sluit die hij niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, indien hij den waren staat van zaken gekend had, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

1) Smidt II, eerste druk 518 en 538, tweede druk 550 en 570.

Sluiten