Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een bode me rij brief', wederrechtelijk te bevoordeelen, brand sticht of eene ontplolïing teweegbrengt in eenig tegen brandgevaar verzekerd goed, of een vaartuig dat verzekerd is oi waarvan de lading of de te verdienen vrachtpenningen zijn verzekerd, of waarop bodemerijpenningen zijn geschoten, doet zinken of stranden, vernielt, onbruikbaar maakt of 'beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

1. Ook voor liet misdrijf van dit artikel is noodig dat de dader liet oogmerk heeft om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen; daaromtrent geldt wat betoogd werd in aanteekening 1 op art. 317.

Daar echter wegens de omschrijving van de gevallen waarop het artikel toepasselijk is het oogmerk feitelijk wel op iets gericht zal zijn dat ook inderdaad bevoordeeling is, is van belang de beantwoording van de vraag: waardoor wordt iemand ten nadeele van den verzekeraar of den houder van eenen bodemerijbrief bevoordeeld? Hierbij dient niet onopgemerkt gelaten te worden dat de daad in zich zelve niet altijd de bevoordeeling onmiddellijk oplevert; het enkele in brand steken van een verzekerd huis kan geen voordeel geven, wel het ten gevolge van het verbranden opvorderen en verkrijgen van de verzekeringsom, gepaard gaande met verzwijging van zoodanige omstandigheden (bijv. merkelijke schuld of nalatigheid van den verzekerde, art. 29-4 Wetboek van koophandel) die den verzekeraar van zijne verplichting ontslaan; dit neemt echter niet weg dat bevoordeeling toch als ge\ olg van de brandstichting moet worden aangemerkt en als zoodanig in het oogmerk van den dader kan liggen.

Bevoordeeling kan nu hier alleen bestaan wanneer hetgeen de belanghebbende verkrijgt meer is dan hetgeen hij verliest, wanneer b.v. een huis tot hooger bedrag verzekerd is dan hetwelk zijne waarde vertegenwoordigt. Het enkele brandstichten tot het verkrijgen van de assurantiepenningen krachtens eene niet te hooge verzekering zou dus niet voldoende zijn. Wel is waar wordt de verzekeraar daardoor benadeeld omdat hij, het feit der brandstichting door den verzekerde kunnende aantoonen, bevrijd zou zijn, maar uit de brandstichting kan geene bevoordeeling ontstaan; zonder haar had de verzekerde zijn goed, met haar de aequivaleerende assurantiepenningen; men had dus beter gedaan door niet de bevoordeeling maar de benadeeling op den voorgrond te stellen. In dit geval kan ook de vreemde, die in overleg met den eigenaar brand sticht, alleen gestraft worden zoo hij valt in de teimen van art. 157; op hem is ook art. 350 niet toepasselijk

Sluiten