is toegevoegd aan je favorieten.

Het Wetboek van strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedeelte van het artikel niet omdat daarbij slechts gesproken wordt van vernieling aan het vaartuig gepleegd, en daarenboven alleen voorzien wordt in het geval dat op het vaartuig geld op bodemerij geschoten is. Wie zonder het vaartuig te vernielen de lading vernielt omdat hij daarin voor zich zeiven of een ander een voordeel ziet en een nadeel voor den verzekeraar of den houder van eenen bodemerijbrief op die lading, is dus alleen strafbaar volgens art. 408, en dan nog slechts voor zoover van wederrechtelijke handeling sprake is, zoodat, indien het eigene lading geldt of met toestemming van den eigenaar gehandeld wordt, niets strafbaars geschiedt daar noch verzekeraar noch geldschieter recht op het behoud der lading kan doen gelden. Het geval is denkbaar: stel dat de lading gedurende de reis in waarde vermindert door eigen gebrek, dan kan de eigenaar belang hebben bij do vernieling, die hem ontheft van het opbrengen van het excedent der bodemerijpenningen welke door de lading niet meer gedekt zouden worden, of hein aanspraak geeft op vergoeding krachtens de verzekering, nu door de vernieling het bewijs van de vermindering is weggenomen.

Overigens is hier alleen gelet op verzekering tegen brand- of zeegevaar met voorbijgang van verzekering tegen andere gevallen, als tegen beschadiging van spiegelruiten, van landbouwproducten, enz. l).

2. De beoogde bevoordeeling moet eene wederrechtelijke zijn. Nu kan ik mij eigenlijk geen geval denken waarin zij dat niet zou zijn.

Voordeel uit verzekering is altijd onrechtmatig, daar de verzekering slechts strekt tot vergoeding van schade en den verzekeraar niet verbindt voor zoover zij het belang van den verzekerde te boven gaat. Het eenige geval van bevoordeeling, nl. dat de verzekeringsom grooter is dan het bedrag dat de waarde van het verzekerde vertegenwoordigt, levert dus steeds eene wederrechtelijke bevoordeeling op.

Bij bodemerij is het evenzoo: de bevoordeeling kan slechts daarin gelegen zijn dat de eigenaar geld behoudt dat hij bij behoudene aankomst zou moeten betalen boven de waarde van het verbodemde; door het vergaan van het vaartuig nu trekt hij voordeel uit de ongeoorloofde bodemerij tot te hoog bedrag en wordt dus wederrechtelijk bevoordeeld.

1) Asser in Tijdschrift voor strafrecht I, bladz 58.

Het wijzigingsontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900) spreekt in het algemeen van het voorwerp dat verzekerd is of onder verband waarvan de bodemerij is aangegaan, en van het vaartuig welks lading is verzekerd of verbodemd, met bijvoeging ook van lichamelijk letsel, dit laatste met betrekking tot levensverzekering.