Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verjiakking voorzien zijn van merken waarop een ander recht heeft, of wat daarmede wordt gelijk gesteld, en bestaat in het invoeren binnen het rijk in Europa van die waren wanneer zij niet klaarblijkelijk bestemd zijn om te worden uitgevoerd, het verkoopen, te koop aanbieden, afleveren, uitdeelen of ten verkoop of ter uitdeeling in voorraad hebben.

Vgl. voor te koop aanbieden aanteekening 2 op art. 174; uitdeelen, aanteekening 4 aldaar; ten verkoop in voorraad hebben, aanteekening 1 op art. 214 en 5 op art. 209; afleveren, aanteekening 3 op art. 174. Dat de daar aangegevene beteekenis van afleveren de juiste is volgt voor dit artikel ook nog hieruit dat dit bedrog strafbaar stelt dat niet gepleegd wordt tegen dengene die de waar enkel ten vervoer ontvangt maar tegen hem aan wien geleverd wordt i).

Noch het enkele namaken van het merk, noch het verkoopen van eens anders merk is strafbaar gesteld; anders bij art. 220.

3. Het object van het misdrijf zijn waren (zie aanteekening 5 op art. 174); de wet van 1893 spreekt van fabrieks- en handels-merken; waren zijn alzoo fabrieksprodneten en handelswaren.

4. Waren zijn valschelijk voorzien van het merk waarop een ander recht heeft wanneer zij afkomstig zijn van een ander dan hij wiens merk er op voorkomt-). Dit moot ook gelden voor de verpakking. Men kan dus zeer goed eene verpakking bezigen met een echt merk, en toch strafbaar zijn door die verpakking te bezigen voor waren, niet afkomstig van den rechthebbende op het merk. De wet eischt toch slechts dat de waren valschelijk voorzien zijn van het merk waarop een ander recht heeft, hetzij zelve d. i. door aanbrenging van het merk op de waar, hetzij op hare verpakking, maar niet dat de verpakking voorzien is van zoodanig merk 3); dit laatste wordt alleen gezegd van de nabootsing van een merk, en te recht, omdat daarbij van gebruik van een echt merk geene sprake kan zijn.

Wanneer daarentegen het merk en de herkomst der waar overeenstemmen, doet het er dus niet toe of het merk oorspronkelijk op de waar of hare verpakking is aangebracht geweest, dan wel later door

!) Rechtbank 's Gravenhage 31 Maart 1898, Wbl. 7137, P. v. J. 1898, no. 40. Anders Gerechtshof Arnhem 10 October 1899, Wbl. 7348, P. v. J. 1900, no. 21.

^) Art. 3 der wet van 1893. Deze voorwaarde is door bezigen van het woord ,valschelijk" in de dagvaarding voldoende uitgedrukt, Hooge Raad 4 Januari 1897, Wbl. 6913, P. v. J. 1897, no. 9.

3) Vgl. Rechtbank Amsterdam 1 November 1889, P. v. J. 1889, no. 140.

Sluiten