Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. De wet eischt voor het misdrijf opzet, en wel opzet gericht op elk van de onderdeden. De dader moet dus weten dat de waar valschelijk van naam, firma, merk, plaats van herkomst voorzien is en ook voor zoover dat noodig is dat een ander op het gebruik recht heeft.

Het recht op een merk wordt geschapen door de niet aangetaste inschrijving. Daartoe doet niet af dat een ander hetzelfde merk vroeger teitelijk heeft gebruikt, en het voortgezette gebruik met de wetenschap dat het merk door een ander inmiddels is ingeschreven levert het opzettelijk gebruiken van hot merk waarop die ander recht heeft op.

'len onrechte besliste daarom het Gerechtshof te Amsterdam i) dat iemand die onder de genoemde omstandigheden voortgaat met het gebruik van een merk niet strafbaar zou zijn omdat hij geen ander oogmerk heeft gehad dan om het publiek de overtuiging te geven dat hij nog steeds zijn van ouds bekend artikel fabriceert en verkoopt, zoodat hij wel verre van het publiek te misleiden integendeel de afnemers omtrent den aard der door hem geleverde waar heeft willen geruststellen.

Dit oogmerk heeft met de strafbaarheid niets te maken en laat het opzet volkomen onaangetast.

10. Bij toepassing van art. 338 komt hier in aanmerking de persoon wier recht op naam, firma of merk geschonden is.

11. Voor de bijkomende straf zie art. 339.

Artikel 338.

Do bepaling van artikel iilö is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

Zie de aanteekeningen op art. 316.

Artikel 339.

Hij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uit-

') Arrest van 30 Juni 1896, Wbl. 6839, vernietigende het vonnis der Rechtbank te Haarlem van 23 April 1896, Wbl. 6853. Zie ook Rechtbank 's Gravenhage 24 Juli 1889, Wbl. 5893.

Sluiten